direct naar inhoud van 2.3 Beleidskader functieverandering
Plan: Bestemmingsplan Staverhul 31 Uddel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1057-ont1

2.3 Beleidskader functieverandering

De regio Stedendriehoek heeft een eigen functieveranderingsbeleid ontwikkeld. Op 15 juli 2008 is het beleidsdocument "Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies. Beleidskader functieverandering van vrijkomende agrarische gebouwen" vastgesteld door de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Lochem, Voorst en Zutphen.

In dit beleidsdocument zijn in het algemeen de volgende voorwaarden gegeven voor functieverandering.

Algemene voorwaarden voor functieverandering

Functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen die gelegen zijn in het buitengebied. De regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (met een agrarische bestemming), maar ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen waarvan de bestemming reeds is omgezet in bijvoorbeeld een woonbestemming. Overtollige gebouwen worden gesloopt, met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen. Een bepaald percentage van het gesloopte oppervlak mag worden teruggebouwd. Als het daarbij om nieuw te bouwen woningen gaat, geldt een maximum inhoudsmaat van 700 m3 voor het hoofdgebouw en 300 m3 of 75 m2 voor de bijgebouwen. De functieverandering van gebouwen wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak. Met beeldkwaliteitsplannen wordt door de gemeenten de verschijningsvorm van de functieveranderingen afgestemd op de omgeving. In alle gevallen dient functieverandering gepaard te gaan met - naast sloop - een vorm van verevening 'van rood naar groen': een bijdrage aan de kwaliteit van de omgeving. Voor monumenten en karakteristieke bebouwing wordt altijd maatwerk geleverd.

Kader voor de beoordeling en regeling van het initiatief voor Staverhul 31

Bovengenoemd Beleidskader functieverandering (in combinatie met wat er in het Streekplan Gelderland 2005 staat over functieverandering) is als volgt toegepast op de situatie op het perceel Staverhul 31 (deze voorwaarden zijn opgenomen in de op 25 mei 2009 gesloten overeenkomst inzake grondexploitatie tussen de gemeente en de initiatiefnemer):

  • Het agrarische bedrijf dient volledig beëindigd te worden. Tevens dient de milieuvergunning van het bedrijf, voorzover nog niet gebeurd, ingetrokken te worden voor de vaststelling van de herziening van het bestemmingsplan.
  • De voormalige agrarische opstallen met een omvang van 530 m² op het perceel Staverhul 31 dienen gesloopt te zijn op het moment dat de herziening van het bestemmingsplan in werking treedt.
  • Er dient een ontwerp gemaakt te worden dat voldoende kwaliteitsimpulsen biedt voor de omgeving. Aandachtspunten bij dit ontwerp zijn met name de beeldkwaliteit van de voorgestane nieuwbouw en de terreininrichting, de afstemming van de ontwikkeling op het landelijk karakter van de omgeving en de maatregelen gericht op het behoud en de versterking van natuur en/of landschap. De bebouwing dient aan de Staverhul gesitueerd te worden.
  • In het kader van de Regeling functieverandering in het buitengebied dient een significante bijdrage geleverd moeten worden aan het versterken van de landschappelijke en ecologische kwaliteiten in het gebied (verevening). De verevening dient plaats te vinden op de percelen kadastraal bekend gemeente Apeldoorn sectie A nummer 5874. De invulling van de verevening moet blijken uit een volledig landschaps- en inrichtingsplan (zie ook het vorige punt). Over het uitgewerkte landschaps- en inrichtingsplan, dient voor de start van de ter visie legging van het voorontwerp van de herziening overeenstemming met de gemeente te zijn bereikt.
  • Verdere voorwaarden uit het beleid zijn onder andere dat door de functieverandering de bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven in de omgeving niet wordt belemmerd en de functieverandering niet mag leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
  • Ruimtelijke ingrepen mogen niet leiden tot verlaging van de grondwaterstand in en om de natte natuur of tot verslechtering van de waterkwaliteit en aantasting van de morfologie van de beken en waterlopen (inclusief oevers). Concreet betekent dit minimaliseren van verharding en uitsluiten van kelders, waterbronnen, ondergrondse koude/warmte-opslag e.d.
  • Inpassing van de woningbouw moet plaatsvinden met in achtneming van cultuurhistorische waarden in het gebied. Dit betekent onder andere een zorgvuldige omgang met de openheid van het landschap. Het plaatsen van bijvoorbeeld schuttingen of rijen met coniferen op erfgrenzen is niet toegestaan. Er dient voor vaststelling nader overleg plaats te vinden over een bouw- en inrichtingsplan.
  • De parkeerplaatsen dienen op het terrein bij de woningen te worden geprojecteerd.