direct naar inhoud van 4.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Oost-Veluweweg - A50 Gasleiding
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1048-vas1

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (verder: Bro) is de gemeente bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om onderzoek te doen naar de bestaande toestand van het plangebied en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling daarvan. Bij dit onderzoek moet tevens de uitvoerbaarheid van het plan worden betrokken. Het beoordelen van de milieuaspecten vormt een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

4.1.2 Bodem

Algemeen

In het kader van de onderzoeksplicht van artikel 9 Bro dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Onderzoeksresultaten

De volgende bodemonderzoeken zijn uitgevoerd:

  • Verkennend bodemonderzoek voormalige Holhorstweg ong./A50, TAUW, kenmerk 4307347, d.d. 30-10-2003.
  • Verkennend bodemonderzoek voormalige Holhorstweg ong./A50, Syncera de Straat, kenmerk B04K0245, d.d.29-04-2004.
  • Verkennend bodemonderzoek perceel naast de rijksweg A50, Consulmij, kenmerk ZB.96.137/V01, d.d. 01-10-1996.
  • Verkennend bodemonderzoek nieuwe Wetering ong., De Straat milieu-adviseurs, kenmerk B00B0466, d.d.01-03-2001.
  • Verkennend bodemonderzoek Oost-Veluwe weg, Oranjewoud bv, kenmerk 169617, d.d.10-01-2007.

Uit de resultaten van de onderzoeken blijkt, dat de bovengrond licht verontreinigd is met minerale olie, EOX en PAK. De ondergrond ter hoogte van de Oost-Veluweweg is licht verontreinigd met minerale olie en PAK. De ondergrond van de overige locaties is niet verontreinigd voor de onderzochte stoffen.

Het grondwater is sterk verontreinigd met arseen en is licht verontreinigd met chroom, koper, nikkel, minerale olie en zink. De sterk verontreiniging met arseen in het grondwater is van natuurlijke oorsprong.

De kwaliteit van de bodem voor het verleggen van de gasleiding is met deze bodemonderzoeken voldoende vastgesteld.

Een verkennend bodemonderzoek voor het verleggen van de gasleiding is niet noodzakelijk, omdat het geen locatie is waar mensen langer dan twee uur structureel verblijven, ook niet in het regel- en meetstation.

4.1.3 Milieuzonering

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Onderzoeksresultaten

In de omgeving van de nieuwe gasleiding zijn voor wat betreft milieuzoneringen geen belemmeringen geconstateerd.

4.1.4 Geluidhinder

De Wet geluidhinder is niet van toepassing op een gastransportleiding. De gastransportleiding zelf is geen geluidsbron.

4.1.5 Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer is, voor wat betreft luchtkwaliteit, niet van toepassing op een gastransportleiding.

4.1.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Onderzoeksresultaten

In de directe omgeving van het plangebied zijn voor zover bekend geen bedrijven gelegen waarop het BEVI van toepassing is.

Transport gevaarlijke stoffen over de weg

Op circa 20 meter van de planlocatie is de rijksweg A50 gelegen. De geplande gasleiding is gelegen binnen het invloedsgebied van de A50. De nieuwe buisleiding is echter geen (beperkt) kwetsbaar object, waardoor dit geen belemmering is.

Elektromagnetische straling

Het plangebied wordt doorkruist door een hoogspanningslijn aanwezig. De berekende specifieke zone bedraagt 71 meter aan weerszijden van de lijn. Aangezien het hier niet om een gevoelig object gaat, is dit geen belemmering.

In de directe omgeving van de planlocatie zijn voor zover bekend geen zendmasten aanwezig.

Buisleidingen

Er komt een nieuwe AMvB Buisleidingen. In deze nieuwe regelgeving zullen de afstanden gaan plaatsmaken voor het berekenen van de plaatsgebonden en groepsrisico's. Bij nieuwe buisleidingen dient de PR 10-6 contour op de leiding te liggen. Dit is derhalve dan ook een voorwaarde voor de gewenste verlegging van de buisleiding op de planlocatie. In het kader van de Beleidsvisie Externe Veiligheid moet ook het groepsrisico worden berekend en verantwoord.

Onderzoeksresultaten

Het projectbureau Externe Veiligheid van de Regio Stedendriehoek is gevraagd om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in kaart te brengen. Dat advies is bijlage 6 van de Bijlagen bij de toelichting. Uit dit advies blijkt het volgende.

De aardgasleiding N-556-73 en de geplande verlenging hebben een diameter van circa 8” en een druk van 40 bar. De aardgasleiding A-651 heeft een diameter van circa 12” en een druk van circa 67 bar.

Op grond van de Circulaire “Regels inzake de zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen” (1984) gelden voor beide aardgastransportleidingen de volgende afstanden:

Tabel 1: afstanden hogedruk aardgastransportleidingen op basis van circulaire 1984

Leiding   Diameter   Druk (bar)   Toetsingsafstand (m)   Bebouwingsafstand  
        Incindentele bebouwing, objecten cat. II   Woonwijken,
objecten cat !  
N-556-73   8 inch   40   20   4   7  
A-651   12 inch   67   40   5   17  

Voor buisleidingen wordt een nieuwe AMvB ontwikkeld. In de nieuwe regelgeving (AMvB Buisleidingen) gaan de afstanden verdwijnen en dienen risico's overeenkomstig de systematiek van het Bevi te worden berekend (plaatsgebonden risico en groepsrisico). Aanleg van nieuwe leidingen wordt zodanig dat PR 10-6 contour zo veel mogelijk 'op de leiding' ligt (binnen belemmerde strook). Plaatsgebonden risico (PR) 10-6 wordt als grenswaarde voor kwetsbare bestemmingen aangehouden. Voor buisleidingen geldt dat binnen de inventarisatieafstand het groepsrisico moet worden onderzocht.

Tabel 2: Inventarisatieafstanden en belemmerde strook hogedruk aardgastransportleidingen

Leiding   Diameter   Druk (bar)   Inventarisatieafstand (m)   Belemmerende strook (m)  
N-556-73   8 inch   40   95   4  
A-651   12 inch   67   170   5  

Plaatsgebonden risico

Uit de berekeningen van de Gasunie blijkt dat er geen PR 10-6 contour aanwezig is met betrekking tot alle drie leidinggedeelten (A-651, N-556-73 bestaand en N-556-73 verlenging). De PR 10-6 contouren vanwege de aardgastransportleidingen liggen op de leiding.

Groepsrisico

Uit de berekeningen van de Gasunie blijkt dat er na realisatie van de nieuwbouwplannen in het scenario zonder hotel en met hotel in deelplan de Noordkaap (van Zuidbroek) voor N-556-73 (bestaand deel) een groepsrisico aanwezig is met een overschrijdingsfactor van 0,01 x de oriëntatiewaarde. Voor de overige leidingdelen kan geen groepsrisico berekend worden. Voor de nieuwe koppeling (de verlenging) tussen de buisleidingen is geen groepsrisico te berekenen.

Voor de bestaande situatie aangaande de personendichtheden in dit gebied kan ervan uit worden gegaan dat geen groepsrisico kan worden berekend en vastgesteld voor deze leidingen, omdat dit nu een dunbevolkt gebied is.

Verantwoording groepsrisico

Vanwege de verlegging en verlenging van de aardgastransportleiding neemt het groepsrisico niet toe. Dit is wel het geval vanwege de nieuwe ontwikkelingen Zuidbroek/Noordkaap nabij de bestaande leiding N-556-73.

Een toename van het groepsrisico moet in principe worden verantwoord. Echter, de verantwoording van het groepsrisico ten gevolge van aardgastransportrisico is momenteel nog niet wettelijk vastgelegd. Wel is in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Apeldoorn (juli 2008) en de concept uitvoeringsnotitie verantwoording groepsrisico beleidsvisie Apeldoorn (juli 2009) een aantal kaders aangegeven ten aanzien van het verantwoorden van het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven indien:

  • a. het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of
  • b. 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt en
    2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen niet wordt overschreden.

In onderhavige situatie voldoet de toename van het groepsrisico aan hetgeen onder a en b staat vermeld. Het groepsrisico na realisatie van de plannen is met een factor van 0,01 niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk.

Het bevoegd gezag dient, anticiperend op toekomstige wetgeving, de voorgenomen wijziging van de buisleiding ter advisering aan te bieden aan de commandant van de regionale brandweer Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG). Per brief van 15 september 2009 heeft de VNOG ter zake geadviseerd.

Conclusie

Uit het onderzoek naar het aspect Externe Veiligheid voor de verlegging van de gasleiding nabij de A50 komt naar voren dat de PR 10-6 contour op de nieuwe leiding ligt en dat het groepsrisico een maximale overschrijdingsfactor van 0,01 x de oriëntatiewaarde heeft. Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.

Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vanwege de verlenging/verlegging van de ondergrondse aardgasleiding veroorzaken geen beperkingen voor de gewenste ontwikkelingen.