direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Herman Coertsweg 3 Beekbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1047-vas1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht van artikel 3.1.6 Bro dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Bouwstoffenbesluit. In het Bouwstoffenbesluit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in een bodemkwaliteitskaart en een bodembeheersplan.

Onderzoeksresultaten

In de periode 2000 tot en met 2005 zijn op (gedeelten van) de locatie de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd:

  • Verkennend bodemonderzoek De Straat Milieuadviseurs , kenmerk B00B0097, 12 mei 2000;
  • Verkennend Bodemonderzoek De Klinker, kenmerk 020506KB.510, 21 mei 2002;
  • Partijkeuring van de grondwallen rondom de parkeerplaats, De Klinker, kenmerk 020524KB.910, 1 juli 2002;
  • Verkennend bodemonderzoek Deellocatie A Herman Coertsweg 3 te Beekbergen, kenmerk 05.J061.10/05.D050, 5 december 2005;
  • Nader bodemonderzoek Deellocatie A bergbeek te Beekbergen, projectnr. 07J074/07.RJ033, 19 september 2007.

Uit bovenstaande onderzoeken blijkt het volgende.

Ter hoogte van de voormalige parkeerplaats/noodlokalen is over circa 1.050 m2 een verhardingslaag aanwezig. Het totaal volume van de verhardingslaag is circa 525 m3. De onderliggende bodemlaag is niet verontreinigd ten opzichte van de geldende achtergrondwaarden.

Gezien de mate van bijmengingen (grindhoudend, puinhoudend, baksteenhoudend) behoort de verhardingslaag niet tot de bodem en dient het materiaal te worden beschouwd als niet-vormgegeven bouwstof. Vanwege de verontreinigingen in het materiaal dient het materiaal te worden afgevoerd als een afvalstof naar een erkend verwerker. In de exploitatieberekening van deze locatie is met de verwijderingskosten van de verontreinigde verhardingslaag rekening gehouden.

Voor het overige zijn in de bovengrond en de ondergrond geen noemenswaardig verontreinigingen vastgesteld.

Aangezien het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie zich meer dan 5 meter beneden maaiveld bevindt, is grondwateronderzoek, conform NEN 5740, in alle onderzoeken achterwege gebleven.

Op grond van de onderzoeksresultaten en rekening houdende met de verwijdering van de verontreinigde verhardingslaag binnen het kader van de herontwikkeling van de locatie, zijn er geen milieuhygiënische bezwaren voor het in gebruik nemen van de locatie voor het beoogde doel.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2007. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen gebieden met functiemenging zijn er milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn of worden gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Bij het onderzoek naar milieubelastende bedrijven in de omgeving van het plangebied, wordt de feitelijke invloed van die bedrijven meegenomen op basis van de bestaande situatie en de bestaande bestemming. Er wordt echter ook gekeken naar de potentiële invloed op basis van de theoretische bestemming als deze afwijkt van de feitelijke.

Rondom de planlocatie zijn geen milieubelastende bedrijven aanwezig, evenmin bedrijfsbestemmingen die een planologische belemmering zouden kunnen vormen.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen en het verlenen van vrijstellingen op grond van artikel 19 WRO rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is alleen gelegen binnen de invloedsfeer van verkeerswegen. Derhalve wordt alleen verkeerslawaai beschouwd.

Wegverkeerslawaai

Artikel 76a Wgh verplicht ertoe om bij het opstellen van een bestemmingsplannen die betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van zo'n vrijstellingsbesluit moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur;

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Er geldt voor de omliggende wegen een 30 km/u regime en daarmee is de Wet geluidhinder niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen de wegen wel te worden beschouwd.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

In de rapportage d.d. 30-10-2008, opgesteld door de gemeente Apeldoorn, is de geluidsbelasting ten gevolge van de Herman Coertsweg, Koningspage en Wolterbeeklaan berekend. Deze berekeningen zijn uitgevoerd aan de hand van rekenmethode 1 en volgens het reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Voor de verkeersgegevens is uitgegaan van de gegevens die zijn aangeleverd door de afdeling Mobiliteit van de gemeente Apeldoorn. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de genoemde wegen lager is dan 48 dB, de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Realisatie van woningen kan zodoende plaatsvinden zonder knelpunten in het kader van de Wet geluidhinder en met een voldoende goede geluidkwaliteit.

5.1.5 Luchtkwaliteit

Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn grenswaarden opgenomen in de Wet milieubeheer. Door de wetwijziging van 15 november 2007 is geen luchtonderzoek meer nodig voor plannen of activiteiten die slechts een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit. In de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen” zijn deze situaties vastgelegd.

Het betreft:

  • woningbouwprojecten met minder dan 500 woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwprojecten met minder dan 1000 woningen en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 33.333 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 66.667 m2 en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Verder is een bepaalde combinatie van wonen en kantoren mogelijk zonder nader onderzoek en is de onderzoeksplicht voor bepaalde inrichtingen vervallen.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Dit plan valt onder de regeling “Niet In Betekende Mate” en is derhalve vrijgesteld van luchtkwaliteitsonderzoek.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf of ander risicovol object geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Onderzoeksresultaten

Bevi

In de nabijheid van de planlocatie Bergbeek bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor de realisatie van woningen op de betreffende locatie.

Leidingen

In de nabijheid van de planlocatie Bergbeek bevinden zich geen gasbuisleidingen of hoogspanningsleidingen.

Transport gevaarlijke stoffen

Op 160 meter van de planlocatie is de N786, de Kerkweg (éénrichtingsweg) gelegen. Hierover vindt beperkt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De planlocatie is gelegen binnen het invloedsgebied van de N786.

Het Projectbureau Externe Veiligheid Regio Stedendriehoek heeft een adviesrapport opgesteld. In bijlage 5 is het rapport d.d. 7 november 2008 opgenomen. Er wordt geconcludeerd dat vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de N786 geen plaatsgebonden risico aanwezig is. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico afkomstig van het vervoer over de N786 wordt niet overschreden en zelfs niet benaderd.

Door een toename van het aantal personen neemt het groepsrisico in het invloedsgebied toe. Hoewel het wettelijk (nog) niet verplicht is om de toename van het groepsrisico te verantwoorden, stelt het concept Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) van november 2008 dat bij de toename van het groepsrisico dat groepsrisico moet worden verantwoord. Volgens artikel 7, tweede lid van dit Besluit mag deze verantwoording buiten beschouwing worden gelaten als kan worden aangetoond dat:

  • a. het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of
  • b. 1: het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, niet meer dan tien procent toeneemt en

2: de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.

Uit het advies van het Projectbureau EV blijkt dat de bevolkingsdichtheid in het gebied 30 personen per hectare bedraagt. Het groepsrisico wordt berekend over de maatgevende kilometer (40 hectare), dus dat komt overeen met 30 x 40 = 1200 personen. Een toename van het aantal personen met 50 is een toename met 4%. Omdat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden wordt hiermee voldaan aan artikel 7 Btev en hoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden. De VNOG hoeft derhalve niet om advies te worden gevraagd.

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande woningbouw op de planlocatie Bergbeek.