direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Eerbeekseweg-Horstweg Loenen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1046-von1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Onderzoeksresultaten bodem

In de rapportage d.d. 1 april 2009, opgesteld door Tauw B.V. en opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van het bodemonderzoek weergegeven. Hieruit blijkt dat de bodemkwaliteit geen beletsel is om het plan te realiseren. Wel is in het onderzoek geconstateerd dat op één plek een kleine verontreiniging aanwezig is, in een gebied waar al eens bodemsanering heeft plaatsgevonden. Nader onderzoek, in het kader van de bouwvergunning, zal uit moeten wijzen, hoe groot die verontreiniging echt is. Zo nodig zal het gesaneerd moeten worden. Gezien de aard en omvang van deze verontreiniging is het redelijkerwijs niet te verwachten dat dit de uitvoering van het plan in de weg kan staan.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen gebieden met functiemenging zijn er milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn of worden gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

De richtafstandenlijst is voor gebieden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden bevat de VNG-uitgave een 'Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging'. Daarin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. Categorie A bestaat uit activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor voldoende. Het gaat hier om activiteiten die in de richtafstandenlijst in milieucategorie 1 zijn ingedeeld. Categorie B staat voor activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, maar een zodanige milieubelasting voor hun omgeving hebben dat ze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats dienen te vinden. Dit zijn activiteiten die in de richtafstandenlijst een richtafstand van maximaal 10 meter voor milieuaspect gevaar, maximaal 30 meter voor aspecten stof en geur en maximaal 50 meter voor aspect geluid hebben en een index voor verkeer van maximaal 1G en 2P. Categorie C bestaat uit de activiteiten uit categorie B die vanwege hun verkeersaantrekkende werking op een goede ontsluiting op de hoofdinfrastructuur zijn aangewezen. Hier gaat het om activiteiten met dezelfde richtafstanden als bij categorie B en een index voor verkeer van maximaal 2G en 3P.

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

De planlocatie ligt voor het deel dat grenst aan de Eerbeekseweg in een gemengd gebied. De Eerbeekseweg is een drukke doorgaande weg met gemengde functies. De rest van de planlocatie is gelegen in rustig gebied. Voor de eerstelijnsbebouwing aan de Eerbeekseweg kan derhalve een correctie ten opzichte van het referentie-omgevingstype “rustige woonwijk” uitgevoerd worden voor het aspect geluid. Voor de woningen aan het Middenpad en de Hortsweg is geen correctie uitgevoerd. De nieuwe woningen worden beschouwd als een milieugevoelige functie. In de nabijheid van de planlocatie zijn twee percelen met potentiële invloed of milieubelasting gelegen:

  • 1. Eerbeekseweg 27, aannemersbedrijf G. v.d. Heuvel

Aangrenzend aan de planlocatie is op het perceel Eerbeekseweg 27 een aannemersbedrijf gevestigd. Voor zowel het huidige gebruik van het perceel alsmede de planologisch toegestane activiteiten geldt een milieuzone van 10 meter in verband met de milieuaspecten geluid, stof en gevaar. Deze milieuzone loopt voor een deel over de planlocatie. Binnen deze milieuzone worden geen nieuwe woningen gerealiseerd. De bestemming voor de woning Eerbeekseweg 29 wordt overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan Loenen overgenomen.

  • 2. Reuweg 18, Basisschool de Tweede Stee

Op circa 40 meter van de planlocatie bevindt zich op het perceel Reuweg 18 een basisschool met schoolplein. Voor het perceel van de school met de bestemming maatschappelijke doeleinden geldt een milieuzone van 30 meter. Het plangebied met de nieuwe woningen bevindt zich buiten die milieuzone. Tussen de basisschool en de planlocatie ligt een (openbaar) speelveld. Het speelveld heeft de bestemming 'speelterrein'. Dit speelterrein heeft geen milieuzone, omdat het in aard gelijk wordt gesteld aan een bestemming voor groenvoorzieningen.

Conclusie milieuzonering

De percelen Eerbeekseweg 27 (aannemersbedrijf) en Reuweg 18 (basisschool) vormen geen belemmering voor de nieuwbouw van woningen.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen.

Wegverkeerslawaai

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.

De omvang van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Indien de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat er een ontheffingsgrond aanwezig is. De ontheffingsgronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

Met methode I volgens het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2006 is bepaald, op welke afstand de 48 dB en 63 dB contour t.g.v. verkeerslawaai van de Eerbeekseweg voor 2020 zijn gelegen. Hieruit blijkt dat tot 11 meter uit de wegas de maximaal toelaatbare grenswaarde (63 dB) wordt overschreden. Binnen de 11 meter vanuit de wegas kunnen geen woningen worden gerealiseerd zonder dat er maatregelen worden getroffen aan de bron of in de overdrachtssfeer, en/of dove gevels worden toegepast.

De voorkeursgrenswaarde (48dB) wordt tot op 102 meter vanuit de wegas overschreden. Woningen binnen deze contour zijn alleen mogelijk indien er een hogere waarde positief wordt beschikt.

Nader onderzoek

Door Tauw B.V. is akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het plan. De rapportage daarvan (d.d. 1 april 2009), is opgenomen in bijlage 3 van de Bijlagen bij de toelichting. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op de woningen de maximale grenswaarde van 63 dB niet overschrijdt. Ter hoogte van de gevels van het appartementencomplex aan de Eerbeekseweg en enkele woningen aan de Horstweg wordt de voorkeursgrenswaarde tengevolge van het verkeerslawaai van de Eerbeekseweg overschreden. Voor deze overschrijdingen zal een procedure voor een hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder worden gevoerd. De ontwerpbeschikking voor een hogere grenswaarde zal gelijktijdig met het ter zijner tijd te publiceren ontwerp-bestemmingsplan ter inzage worden gelegd.

Overige wegen

De overige wegen in de buurt van de locatie zijn allemaal 30 km/u wegen en deze wegen hebben geen zone. In het kader van de Wet geluidhinder is onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege deze wegen niet noodzakelijk. Echter, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening zal toch inzicht moeten worden gegeven in de verwachte geluidsbelasting. De meeste wegen hebben een dusdanig lage verkeersintensiteit (minder dan 500 motorvoertuigen per etmaal) en daarmee lage geluidsbelasting, dat deze niet relevant zullen zijn. Deze zullen een goede ruimtelijke ordening waarschijnlijk niet in de weg staan.

5.1.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn grenswaarden opgenomen in de Wet milieubeheer. Door de wetwijziging van 15 november 2007 is geen luchtonderzoek meer nodig voor plannen of activiteiten die slechts een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit. In de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen” zijn deze situaties vastgelegd.

Het betreft:

  • woningbouwprojecten met minder dan 500 woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwprojecten met minder dan 1000 woningen en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 33.333 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 66.667 m2 en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Verder is een bepaalde combinatie van wonen en kantoren mogelijk zonder nader onderzoek en is de onderzoeksplicht voor bepaalde inrichtingen vervallen.

Onderzoeksresultaten

In dit plan is sprake van meer dan één ontsluitingsweg. Aangezien het totaal aantal te realiseren woningen minder dan 1000 bedraagt is nader onderzoek van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Bevi

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het Bevi vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Elektromagnetische straling

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.

Transport gevaarlijke stoffen

In de directe omgeving van de planlocatie is de provinciale weg N786 (Eerbeekseweg) gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een reguliere spoorlijn is niet in de directe omgeving van de planlocatie gelegen. In verband het transport van gevaarlijke stoffen over de Eerbeekseweg is het groepsrisico bepaald.

Voor het berekenen van het groepsrisico dienen naast het bepalen van de risicobron onder andere de bevolkingsdichtheden en de kenmerken van de risicobron, i.c. transport van gevaarlijke stoffen over de provinciale weg, bepaald te worden. Op basis van deze gegevens is beoordeeld of er sprake is van een significante toename van het groepsrisico op basis van de drempelwaarden die opgenomen zijn in Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 3 deel 2. Bij een toename van het groepsrisico dient het groepsrisico te worden verantwoord.

Onderzoek externe veiligheid

Het woningbouwprogramma is in samenwerking met het projectbureau Externe Veiligheid Regio Stedendriehoek geschikt gemaakt voor deze beoordeling net zoals de bevolkings- en risicobrongegevens. Het uitvoeren van de beoordeling is gedaan door het projectbureau Externe Veiligheid Regio Stedendriehoek. Hieronder vindt wordt een beknopte samenvatting van de resultaten van dit onderzoek weergegeven. De bijbehorende notitie is bijlage 4 van de Bijlagen bij de toelichting.

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Eerbeekseweg kent een dermate lage intensiteit, dat de drempelwaarden uit de PGS 3 deel 2 niet overschreden worden. Het groepsrisico blijft ver onder de oriëntatiewaarde. Aangezien het groepsrisico zeer minimaal is (niet significant toeneemt), vormt externe veiligheid geen belemmering voor deze nieuwbouw. Een berekening van het groepsrisico is niet noodzakelijk voor de ontwikkeling van de bouwlocaties. Het groepsrisico overschrijdt de in de Beleidsvisie externe veiligheid Apeldoorn vastgelegde norm van 1* de oriëntatiewaarde niet.