direct naar inhoud van 6.2 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Beekbergsebroek - Biezematen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1043-von1

6.2 Milieuaspecten

6.2.1 Bodem

Algemeen

In de gebieden Beekbergsebroek en Biezematen wordt een deel van de bestemmingen voor het agrarisch gebied, de bestaande woningen en het dierenasiel gehandhaafd. In delen van de gebieden worden de agrarische en woonbestemmingen gewijzigd naar de bestemmingen 'Bedrijventerrein', 'Bedrijventerrein - Uit te werken', 'Groen' en 'Verkeer - Weg'. De kwaliteit van de bodem is per deelgebied getoetst op haar geschiktheid voor de beoogde bestemmingen. Voor het bepalen van de geschiktheid van de bodem is gebruik gemaakt van de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Apeldoorn, de inventarisatie in het kader van het Landdekkend Beeld (historisch onderzoek) en beschikbare bodemonderzoeken.

De meeste bodemonderzoeken zijn ouder dan 5 jaar. Bij het indienen van een bouwvergunning aanvraag dient een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en de NEN 5725 gevoegd te zijn. Dit is het moment dat de onderzoeken geactualiseerd zullen worden. Hoewel de onderzoeken formeel niet meer actueel zijn geven ze voldoende informatie om een uitspraak te doen over de geschiktheid van de bodem omdat er in het plangebied voor zover bekend bij de gemeente Apeldoorn geen (bouw) activiteiten en/of calamiteiten zijn geweest.

(Chemische) Bodemkwaliteit

Biezematen

De Biezematen ligt in zone 4 'schoon' van de Bodem Kwaliteitskaart van de gemeente Apeldoorn. Dit betekent dat de bodem niet tot zeer licht verontreinigd is met maximaal 3 stoffen. Zij is geschikt is voor de functies van bedrijventerrein, groen en verkeer.

In de periode van 1995 tot heden zijn bodemonderzoeken onderzoeken uitgevoerd. Hierdoor is de bodemkwaliteit van circa 40% van het plangebied bekend. Ter plaatse van de agrarische percelen is de vaste bodem maximaal licht verontreinigd. Ter plaatse van de erven is de vaste bodem maximaal licht verontreinigd, met uitzondering van de IJsseldijk 72 en de Brinkenweg 125. Aan de IJsseldijk 72 is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest. Bij de Brinkenweg 125 is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met PAK en minerale olie. Beide verontreinigingen dienen conform de regelgeving van de Wet bodembescherming gesaneerd worden.

Het grondwater ter plaatse van de erven en weilanden is niet tot zeer lokaal sterk verontreinigd met nikkel en arseen. Daar in de vaste bodem geen nikkel en arseen verhoogd is gemeten en er geen potentiële bronnen voor verontreiniging met nikkel en arseen op de locatie voorkomen, wordt verondersteld dat de gemeten gehalten in het grondwater van nature voorkomen.

Geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzochte percelen geschikt is of geschikt gemaakt kan worden (IJsseldijk 72 en Brinkenweg 125 ), binnen de financiële kaders van dit plan, voor de functies bedrijventerrein, groen en verkeer.

De nog niet onderzochte percelen binnen de grenzen van het gebied betreffen hoofdzakelijk agrarische percelen. Op basis van de ervaringen in vergelijkbare plangebieden als Zuidbroek, Noord Oostpoort en Groot Zonnehoeve en de Bodemkwaliteitskaart gemeente Apeldoorn is de verwachting dat de bodemkwaliteit van deze percelen geschikt is of geschikt gemaakt kan worden, binnen de financiële kaders van dit plan, voor de functies bedrijventerrein, groen en verkeer.

Beekbergsebroek

De Beekbergsebroek ligt in zone 4 'schoon' van de Bodem Kwaliteitskaart van de gemeente Apeldoorn. Dit betekent dat de bodem niet tot zeer licht verontreinigd is met maximaal 3 stoffen. Zij is geschikt is voor de functies van bedrijventerrein, groen en verkeer.

In de periode van 1999 tot heden zijn bodemonderzoeken onderzoeken uitgevoerd. Hierdoor is de bodemkwaliteit van circa 5% van het plangebied bekend. Ter plaatse van de agrarische percelen is de vaste bodem maximaal licht verontreinigd. Ter plaatse van de erven is de vaste bodem maximaal licht verontreinigd, met uitzondering van de Traandijk 71. Hier is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest. De verontreiniging dient conform de regelgeving van de Wet bodembescherming gesaneerd worden.

Het grondwater ter plaatse van de erven en weilanden is niet tot zeer lokaal matig verontreinigd met nikkel, koper en arseen. Daar in de vaste bodem geen nikkel, koper en arseen verhoogd is gemeten en er geen potentiële bronnen voor verontreiniging met nikkel, koper en arseen op de locatie voorkomen, wordt verondersteld dat de gemeten gehalten in het grondwater van nature voorkomen.

Geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzochte percelen geschikt is of geschikt gemaakt kan worden (Traandijk 71), binnen de financiële kaders van dit plan, voor de functies bedrijventerrein, groen en verkeer.

De nog niet onderzochte percelen binnen de grenzen van het gebied betreffen hoofdzakelijk agrarische percelen. Op basis van de ervaringen in vergelijkbare plangebieden als Zuidbroek, Noord Oostpoort en Groot Zonnehoeve en de Bodemkwaliteitskaart gemeente Apeldoorn is de verwachting dat de bodemkwaliteit van deze percelen geschikt is of geschikt gemaakt kan worden, binnen de financiële kaders van dit plan, voor de functies bedrijventerrein, groen en verkeer.

6.2.2 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Richtafstanden

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Omgevingstypen in relatie tot richtafstanden

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap.

De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied.

De indices voor verkeer en visuele hinder

Niet alle milieuaspecten zijn uit te drukken in richtafstanden. Met name de milieuaspecten verkeersaantrekkende werking en visuele hinder worden kwalitatief beoordeeld en weergegeven met een index. De index loopt uiteen van 1 tot en met 3, met de volgende betekenis:

  • index 1: potentieel geen of geringe emissie of hinder;
  • index 2: potentieel aanzienlijke emissie of hinder;
  • index 3: potentieel zeer ernstige emissie of hinder.

Verkeersaantrekkende werking heeft betrekking op al het autoverkeer van en naar de inrichting. De index voor visuele hinder is een zeer grove indicator voor de visuele inpassing van bedrijven. Er zit een zeker subjectief element in. Evenwel kunnen zich in de praktijk situaties voordoen waarin het beslist gewenst is om gebruik te maken van deze indices.

Aanvankelijk, in eerder uitgaven van de brochure, waren er meer indices, zoals lucht, oppervlaktewater, bodem en grondwater, maar die zijn als index geschrapt en slechts als aandachtspunt B (bodem), L (luchtverontreiniging), R (Risico) en V (Vuurwerk) terug te vinden in de kolom 'opmerkingen'. Een B of een L betekent dat in dat geval dit milieuaspect meer relevant is en mogelijk een verhoging van de grootste afstand noodzakelijk maakt. Opname van de D bij een bedrijfstype in de kolom bij de richtafstand van het hinderaspect impliceert dat binnen het betreffende bedrijfstype een grotere mate van diversiteit geldt voor de individuele bedrijven, die zodanig relevant is dat dit extra aandacht rechtvaardigt. Opname van de aanduiding Z bij een bedrijfstype in de kolom bij de richtafstand geeft aan er in principe sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2.4. van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer (lawaaimakers), waarvoor een zonering op basis van de Wet geluidhinder van toepassing is.

Aard van de bedrijven

Voor zover bedrijfsactiviteiten niet reeds zijn uitgesloten op grond van milieuplanologische overwegingen kunnen verdere beperkingen op grond van objectief bepaalde stedenbouwkundige en/of functionele motieven worden gesteld aan vestiging van bedrijven op het bedrijventerrein.

Deze beperkingen hebben enerzijds betrekking op een algehele uitsluiting van bedrijfsactiviteiten die onder een bepaalde hoofdbedrijfsgroep of bedrijfsgroep zijn vermeld. Anderzijds hebben deze beperkingen betrekking op bepaalde bedrijfsactiviteiten, die genoemd zijn binnen een overigens toegestane (hoofd-)bedrijfsgroep. De criteria die hierbij zijn aangelegd betreffen de aard en het stedenbouwkundige beeld van het aangrenzende woongebied en de aard van het bedrijventerrein in relatie tot de omgeving.

Zo zijn visserij- en visteeltbedrijven of bosbouw niet het type bedrijvigheid dat je midden in Apeldoorn zou zoeken. Ook horen maatschappelijke voorzieningen in beginsel niet thuis op het bedrijventerrein.

Voor het Regionaal bedrijventerrein Apeldoorn Zuid zijn de volgende hoofdbedrijfsgroepen c.q. bedrijfsactiviteiten uitgesloten:

  • 01 Landbouw en dienstverlening ten behoeve van de landbouw
    Dit soort agrarische bedrijfsmatige activiteiten hoort niet thuis op een bedrijventerrein, maar in het aangrenzende agrarische gebied
  • 02 Bosbouw en dienstverlening ten behoeve van de landbouw
    Hoort niet thuis op een bedrijventerrein
  • 05 Visserij en visteeltbedrijf, 03 Turfwinning, 04 Aardolie- en gaswinning, 05 Winning van zand, grind, klei, zout en dergelijke
    Dit soort activiteiten komen of ter plaatse niet voor dan wel passen niet bij de opzet van een regionaal bedrijventerrein
  • SBI 191, 19201 Cokesfabrieken aardolieraffinaderijen
    Deze activiteiten zullen als gebiedsvreemd nooit in Apeldoorn plaatsvinden en zijn qua bedrijfscategorie (cat. 5.3. en cat. 6) te zwaar voor dit bedrijventerrein
  • SBI 35 kerncentrales met koeltorens

pas niet qua zwaarte in dit gebied: milieucategorie 6 (richtafstand 1.500 meter met betrekking tot aspect gevaar)

  • SBI 473 benzineservicestation

Het is niet gewenst om op elk perceel met een bedrijvenbestemming direct een tankstation toe te staan. Voor realisatie van een tankstation dient eerst een passende beoordeling te worden gemaakt met als overwegingen onder andere een goede verkeersafwikkeling en veiligheid.

  • 47 Detailhandel en reparatie ten behoeve van particulieren, met uitzondering van reparatiebedrijven SBI 952
    Overeenkomstig de detailhandelsvisie zijn detailhandelsbedrijven uit de bedrijvenlijst verwijderd. Postorderbedrijven en reparatie ten behoeve van particulieren worden op grond van de regels wel toegestaan aangezien deze activiteiten wel gepast worden geacht binnen de bedrijvenbestemming.
  • 55 Logiesmaaltijden en drankverstrekking met uitzondering van cateringbedrijven

deze activiteiten horen binnen de bestemming 'Horeca'

  • SBI 491, 492 spoorwegen

deze activiteiten horen binnen de bestemming 'Verkeer – Spoorweg'

  • 50, 51 kantoren ten behoeve van vervoersbedrijven.
    Op het bedrijventerrein zijn geen zelfstandige kantoren toegestaan
  • 52 Dienstverlening ten behoeve van vervoer met uitzondering van SBI 52102, 52109 (distributiecentra) t/m SBI 5221 (stalling van vrachtwagens)

Zeeschepen en overslag alsmede luchthavens en dergelijke daarvan komen hier niet voor

  • 64, 65, 66 Financiële instellingen en verzekeringswezen, 41, 68 verhuur van en handel in onroerend goed, 72 speur- en ontwikkelingswerk, SBI 63 t/m 82 kantoren ten behoeve van zakelijke dienstverlening, 84 openbaar bestuur, overheidsdiensten, sociale verzekering, 85 onderwijs, 86 gezondheids- en welzijnszorg, 94 Diverse organisaties, 59 Cultuur Sport en recreatie en 96 overige dienstverlening met uitzondering van SBI 96011 (wasserijen) t/m 96012 (chemische wasserijen en ververijen)

Dergelijke activiteiten passen niet binnen de bestemming bedrijventerrein

Toepassing bedrijven en milieuzonering Regionaal Bedrijventerrein Apeldoorn Zuid

Op het bedrijventerrein wordt ruimte geboden aan bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 5.1. Met name de bedrijven in de hogere milieucategorieën kennen productieprocessen die verstoring kunnen opleveren voor de omgeving. De hinder die deze bedrijven produceren dient binnen de wettelijke kaders te blijven. Algemeen geldt dat er bij de inrichting van het terrein een inwaartse zonering wordt toegepast waarbij de zwaarste categorieën in het midden van het bedrijventerrein liggen en de lichtere categorieën meer aan de rand.

Voor het Regionaal Bedrijventerrein Apeldoorn Zuid is op basis van de gewenste verdeling in milieucategorieën (benodigde oppervlakte bedrijventerrein per categorie) een indeling in milieucategorieën gemaakt, waarbij rekening is gehouden met de gevoelige functies in de omgeving. Dit betreffen onder andere woonwijk de Maten, de woningen langs en nabij het Apeldoorns Kanaal, de Woudweg, de Traandijk en de Elsbosweg en de Krommedijk (andere kant van de Biezematen). Het Beekbergerwoud (ontwikkeling natuurgebied) aan de zuidkant wordt eveneens aangemerkt als een gevoelig gebied.

Voor wat betreft de Biezematen is de zonering volledig uitgewerkt op de verbeelding (plankaart) en in de regels. Woningen binnen het gebied of direct aangrenzend hieraan zullen worden gesloopt. Voor het overige wordt ruimschoots voldaan aan de bij de toegelaten bedrijfsactiviteiten behorende richtafstanden. Op grond van de richtafstanden ten opzichte van onder andere wijk de Maten was het zelfs mogelijk geweest om langs de randen zwaardere milieucategorieën/bedrijfstypen toe te staan. Te meer nu dit deelgebied voor een belangrijk deel wordt omgeven door snelwegen waarbij een correctie in de richtafstanden (met name ten aanzien van het aspect geluid) op zijn plaats zou zijn geweest. Volstaan is met het toestaan van relatief lichtere bedrijfsactiviteiten maximaal categorie 3.2 langs de randen met snelwegen als overgang naar het bedrijventerrein.

Het toepassen van een concrete milieuzonering voor het deelgebied Beekbergsebroek zal pas plaatsvinden op het moment van de uitwerking ex artikel 3.6. Wro, waarbij er rekening kan worden gehouden met de actuele situatie op dat moment.

6.2.3 Geluidhinder

Algemeen

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai.

Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen, een spoorlijn en een industrieterrein. Er is echter geen sprake van de realisatie van geluidgevoelige functies. Omdat de ontwikkelingen binnen dit plan alleen betrekking hebben op de realisatie van het industrieterrein en bijbehorende ontsluitingswegen, worden alleen wegverkeerslawaai en industrielawaai beschouwd.

Wegverkeerslawaai

Voor wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader. Naast de Nederlandse geluidswetgeving worden ook op Europees niveau richtlijnen en normen op het gebied van geluid vastgesteld (Richtlijn omgevingslawaai). Nederland is verplicht deze richtlijnen in de eigen wetgeving op te nemen. In januari 2007 is de Wet geluidhinder significant gewijzigd. In deze gewijzigde Wet is de EU-richtlijn Omgevingslawaai in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Bij het van kracht worden van de gewijzigde Wet geluidhinder is onder meer de eenheid van de te meten geluidsbelastingen veranderd. In plaats van op basis van een maatgevende periode van het etmaal (dag of nacht, de LAeq), wordt nu een berekening van de geluidsbelasting bepaald als gemiddelde over de dag, avond en nacht (de Lden). Deze waarde ligt over het algemeen zo'n 2 dB(A) lager dan de voorheen berekende waarden. Daarom zijn alle normen en grenswaarden met 2 dB(A) naar beneden bijgesteld. De LAeq wordt uitgedrukt in dB(A). De Lden wordt uitgedrukt in dB.

De gemeente Apeldoorn heeft haar randvoorwaarden met betrekking tot geluidshinder vastgelegd in een uitvoeringsnota geluid. De gemeente Apeldoorn ambieert om ongewenste milieusituaties te saneren en het milieubelang duidelijker te betrekken bij de planontwikkeling voor wonen, werken en verkeer. Dit vraagt om het expliciet formuleren van ambities en handvatten voor de milieukwaliteit (leefomgevingskwaliteit) van gebieden. Voor geluid zijn ambities en randvoorwaarden geformuleerd in de vorm van de uitvoeringsnota geluid.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai bestaande wegen

In het MER zijn de effecten van wegverkeerslawaai onderzocht. Voor de bestaande wegen in de eindsituatie is de constatering dat de geluidsbelasting in en om het plangebied als gevolg van extra mobiliteit weliswaar toeneemt, maar de toename van de geluidsbelasting nergens meer dan 2 dB bedraagt. Dit houdt in dat er nergens sprake is van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder (met uitzondering van de wegen Kayersdijk en Hanengraaf, die na reconstructie deel uitmaken van de nieuwe hoofdontsluitingsweg voor de Beekbergsebroek). Nader onderzoek is voor de bestaande wegen daarom niet noodzakelijk. Voor een uitgebreide toelichting op dit akoestisch onderzoek wordt verwezen naar het MER.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai nieuwe hoofdontsluitingsweg

Voor de nieuw aan te leggen hoofdontsluitingsweg in Beekbergsebroek zal de geluidsbelasting op bestaande woningen de voorkeursgrenswaarde (48 dB) overschrijden. In het MER is dit onderzocht. Voor dit bestemmingsplan is hiervoor aanvullend onderzoek verricht.

Bij het projecteren van een nieuwe weg nabij nieuwe en bestaande woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen dient een akoestisch onderzoek te worden ingesteld naar de te verwachten geluidsbelasting op de gevel van deze bestaande bestemmingen (artikel 76 Wgh) Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur;

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

De relevante weg in dit plan is de nieuwe hoofdontsluitingsweg voor de Beekbergsebroek. Voor de overige wegen is geen onderzoek noodzakelijk omdat er op het RBAZ geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt. Door Goudappel Coffeng is onderzoek verricht naar de geluidsbelasting vanwege de nieuwe hoofdontsluitingsweg. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidbelasting moeten mogelijke maatregelen in beeld worden gebracht. Indien maatregelen onvoldoende soelaas bieden en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 58 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kan ontheffing worden verleend. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn hieraan stelt is dat er een ontheffingsgrond aanwezig is. De ontheffingscriteria zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

In de rapportage d.d. 16 maart 2010, opgesteld door Goudappel Coffeng, is de geluidsbelasting ten gevolge van nieuwe hoofdontsluitingsweg berekend. Hieruit blijkt dat de verkeerssituatie op de nieuwe hoofdontsluitingsweg tot gevolg heeft dat de geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De geluidsbelasting op de bestaande woningen (die gehandhaafd blijven) bedraagt voor de nieuwe hoofdontsluitingsweg maximaal 63 dB. Hiermee wordt de maximale ontheffingswaarde van 58 dB overschreden. De geluidsbelasting kan worden gereduceerd door het treffen van maatregelen. Door toepassing van een geluidreducerende asfaltsoort uit de categorie dunne deklagen B (conform CROW-publicatie 200) kan de overschrijding worden teruggebracht tot de maximale ontheffingswaarde van 58 dB.

Ondanks het toepassen van bronmaatregelen in de vorm van geluidsreducerend asfalt is het niet mogelijk om de geluidsbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Overdrachtsmaatregelen (schermen) stuiten op landschappelijke en verkeerskundige bezwaren. De realisatie van de ontsluitingsweg is derhalve alleen mogelijk met goed gemotiveerde ontheffing. Het ontheffingscriterium waarop in de aanvraag beroep gedaan kan worden, is bestaande woningbouw. Er moet tevens onderzoek worden uitgevoerd naar de eventuele noodzaak van toepassing van geluidisolerende maatregelen aan de woning(en).

Reconstructieonderzoek nieuwe hoofdontsluitingsweg

Er is in het onderzoek van Goudappel Coffeng ook onderzoek gedaan naar de situatie 'bestaande woning, weg in reconstructie'. Voor drie bestaande woningen binnen de geluidszone van de Kayersdijk/Hansengraaf is sprake van een juridische reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder ('de huidige/referentiewaarde bedraagt minimaal 48 dB en de plansituatie kent een toename van 2 dB of meer'). Toepassing van geluidreducerend asfalt sorteert voldoende effect, zodat de geluidsbelasting niet meer toeneemt met 2 dB of meer, zodat geen sprake meer is van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder.

Industrielawaai

Bij het projecteren van nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij nieuwe en bestaande woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen zal men een akoestisch onderzoek in moeten stellen naar de te verwachten geluidsbelasting op de gevel van deze bestaande bestemmingen. Dat geldt in ieder geval voor bedrijfsbestemmingen waar bedrijven als genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zich kunnen vestigen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening geldt dat ook bij meerdere bedrijfsbestemmingen waar bedrijven als genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zich niet kunnen vestigen maar die cumulatief mogelijk wel een relevante geluidbelasting kunnen veroorzaken. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wet geluidhinder.

Als een bestemmingplan of de herziening daarvan het mogelijk maakt op een industrieterrein bepaalde geluidshinderlijke bedrijven (de bedrijven als genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer) te vestigen of toe te voegen, is de gemeenteraad verplicht gelijktijdig met het vaststellen van het bestemmingsplan, een geluidzone rond dit terrein vast te stellen of te wijzigen. De geluidsbelasting afkomstig van alle bedrijven op het terrein mag buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) (Letmaal). Het gemeentebestuur bepaalt vervolgens welke soorten geluidshinderlijke bedrijven op het terrein kunnen worden toegelaten in relatie tot de geluidsbelasting daarvan op bestaande (of geplande) woningen. De vastgestelde zone legt daarmee enerzijds beperkingen op aan de industrie (via bestemmingsplan en milieuvergunning) en anderzijds aan de eventuele bouw van nieuwe woningen in de zone rondom het industrieterrein.

De voorkeursgrenswaarde bij zones rond (nieuwe) industrieterreinen is 50 dB(A) (Letmaal). Dit is ook de voorkeursgrenswaarde bij de bestaande geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone. Bij een hogere geluidbelasting moet worden gekeken naar mogelijke maatregelen. Indien maatregelen onvoldoende soelaas bieden en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 55 dB(A) (Letmaal) kan ontheffing worden verleend. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn hieraan stelt is dat er een ontheffingsgrond aanwezig is. De ontheffingscriteria zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Alleen bij geluidgevoelige bestemmingen die altijd al een geluidbelasting hadden van meer dan 50 dB(A) geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB(A) en een maximaal toelaatbare grenswaarde van 60 dB(A).

Onderzoeksresultaten industrielawaai

De geluidsbelasting als gevolg van de te vestigen industrie in het plangebied zal toenemen. Uit de effectbeschrijving van het MER blijkt dat het gebied waar de geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), of zelfs boven de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) komt, is beperkt tot het gebied ten zuiden van de A1 en tot het plangebied van Biezematen. De geluidsbelasting in de wijk De Maten komt als gevolg van het industrielawaai niet boven de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

Industrielawaai Biezematen

Uit akoestisch onderzoek van het MER blijkt dat bij twee woningen gelegen in het plangebied de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt overschreden. Vanwege de komst van het bedrijventerrein wordt echter de woonbestemming aan deze woningen ontrokken en worden de woningen geamoveerd.

Uit vervolgonderzoek naar de ligging van 50dB(A)-contouren rond het plangebied Biezematen blijkt dat, indien hier bedrijven als genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zouden worden toegestaan, de 50 dB(A)-contour rond de Biezematen niet geheel binnen de plangrens van voorliggend bestemmingsplan valt; een gedeelte van de contour valt over de Ecofactorij. De zonegrens, die met dit plan moet worden vastgesteld, valt dan buiten de grenzen van dit plangebied. Er wordt nu niet voor gekozen de plangrens aan te passen. Om deze reden is vooralsnog besloten om op de Biezematen geen bedrijven als genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer toe te staan. Indien dit in een later stadium toch wenselijk blijkt, kan één en ander in samenhang met de Ecofactorij worden bezien.

Om de cumulatieve geluidsbelasting te reguleren en bewaken bij ingebruikname van dit deel van het bedrijventerrein zal nog wel een zogenoemd zonebeheersplan worden opgesteld.

Industrielawaai Beekbergsebroek

Uit het akoestisch onderzoek en de daarop volgende effectbeschrijving van het MER blijkt dat door de ontwikkeling van het bedrijventerrein Beekbergsebroek Noord de geluidbelasting toeneemt. Het gebied waar de geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder (50 dB(A)) of zelfs boven de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) komt is beperkt tot het gebied ten zuiden van de A1.

Bij de akoestische berekeningen in het MER is een aanname gedaan voor de invulling van dit plandeel en de bijbehorende geluidsproductie. In dit bestemmingsplan is voor de Beekbergsebroek een uit te werken bestemming opgenomen. Gedetailleerd akoestisch onderzoek is daarom op dit moment niet mogelijk. Omdat in de Beekbergsebroek wel bedrijven worden toegestaan als genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, dient er wel een zonegrens te worden opgenomen. De zonegrens, waar de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de toekomstige bedrijven niet hoger mag zijn dan 50 dB(A) is op de verbeelding opgenomen met de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'. De ligging van de zonegrens is afgestemd op de resultaten van de effectbeschrijving in het MER.

Op grond van de zonegrens in dit plan kan worden vastgesteld dat straks voor een viertal woningen in dit plandeel de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt naar verwachting niet overschreden. Voor de woningen die een geluidbelasting tussen de 51 en 55 dB(A) ondervinden zal door middel van een Hogere Waardeprocedure een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde moeten worden vastgesteld om de woningen te kunnen handhaven. In deze procedure wordt afgewogen of geluidsreducerende maatregelen mogelijk zijn. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld dan de voorkeursgrenswaarde, zal de gemeente moeten onderzoeken in hoeverre de woning aanvullende gevelisolatie nodig heeft om aan het wettelijke geluidsniveau binnen de woning te kunnen voldoen.

6.2.4 Trillingshinder

Algemeen

Er bestaat in Nederland geen wetgeving met betrekking tot trillingshinder of schade door trillingen. Wel zijn door de Stichting Bouwresearch richtlijnen opgesteld voor hinder of schade als gevolg van trillingen. De richtlijnen hebben betrekking op schade aan gebouwen, hinder voor personen in gebouwen en storing aan apparatuur. Het is algemeen gebruikelijk om de SBR-richtlijnen toe te passen bij de meting en beoordeling van schade en hinder door trillingen. VROM raad aan voor hinder voor personen in gebouwen de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998) te gebruiken.

Verkeer kan trillingen langs de weg veroorzaken, dit wordt met name veroorzaakt door zwaar vrachtverkeer. Dit kan als hinderlijk worden ervaren en in extreme gevallen leidt dit tot schade aan de woningen. Wanneer het aantal woningen waarvoor een kans op trillingshinder geldt, toeneemt ten gevolge van de planontwikkeling wordt dit als negatief beoordeeld.

Onderzoeksresultaten

Biezematen

Het aantal woningen met een kans op trillingshinder neemt niet toe. Doordat woningen langs de nieuwe ontsluitingsweg van Biezematen verdwijnen, neemt het aantal woningen met kans op trillingshinder zelfs af.

Beekbergsebroek

Wanneer Beekbergsebroek wordt gerealiseerd neemt ten gevolge van de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg de kans op trillingshinder toe.

Dit zijn echter geen nieuwe situaties, deze woningen hebben ook zonder de nieuwe ontsluitingsweg kans op trillingshinder.

Mitigerende en compenserende maatregelen

Om kans op trillingshinder zoveel mogelijk te voorkomen, moet aandacht worden geschonken aan de relevante criteria die bepalen wanneer de kans op trillingshinder optreedt. Ook hier kan met de ligging van de wegen rekening gehouden worden met de afstand van 50 meter ten opzichte van een woning. De ondergrond van de weg, de fundering, kan zo worden uitgevoerd dat de kans op trillingshinder zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast moet het streven zijn de wegen aan te leggen zonder obstakels als drempels die de kans op trillingshinder vergroten.

6.2.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

In de Wet milieubeheer zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De belangrijkste stoffen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Apeldoorn al jaren voldaan. Dit blijkt uit de jaarlijkse monitoringsrapporten over luchtkwaliteit.

Bij ontwikkelingen in het kader van (onder andere) de Wet ruimtelijke ordening moet worden aangetoond of een ontwikkeling al dan niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een ontwikkeling draagt 'niet in betekenende mate' bij als de bijdrage aan de stoffen stikstofdioxide en fijn stof minder dan 1,2 ìg/m3 bedraagt. Voor activiteiten die slechts een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit is geen onderzoek nodig. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' zijn deze activiteiten vastgelegd. Het betreft onder andere:

  • woningbouwprojecten met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwprojecten met maximaal 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 300.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit onderzoek dat de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is er voor het onderdeel luchtkwaliteit geen bezwaar vanuit de Wet milieubeheer. Is de bijdrage wel 'in betekenende mate', maar worden er geen grenswaarden overschreden, is er evenmin een bezwaar. Indien de bijdrage wel 'in betekende mate' is, én de grenswaarde wordt overschreden, kan de ontwikkeling eventueel door projectsaldering of opname in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit worden gerealiseerd.

Onderzoeksresultaten

Luchtkwaliteit door wegverkeer

De voorgenomen activiteit zorgt voor een verandering van de luchtkwaliteit in het studiegebied. Uit de effectbeschrijving van het MER blijkt dat de concentraties van luchtvervuilende stoffen iets toenemen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Er vinden echter in geen van de fases overschrijdingen plaats van de normen conform de Wet milieubeheer. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wet milieubeheer, waardoor er vanwege de luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen zijn voor realisering van het RBAZ.

Overigens is dit project opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Dit betekent dat dit project niet meer apart beoordeeld hoeft te worden op de afzonderlijke effecten op de luchtkwaliteit, maar getoetst wordt aan het NSL. De negatieve gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit worden in het gebiedsprogramma gecompenseerd door inzet van maatregelen.

Cumulatie

De berekeningen voor stikstofdioxide en fijn stof ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten en het verkeer voor het Regionaal Bedrijventerrein Apeldoorn Zuid laten zien dat er uitgaande van een worstcasescenario geen sprake is van overschrijdingen van de grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet luchtkwaliteit. In 2010 geldt voor NO2 dat uitgaande van een worstcasescenario de jaargemiddelde concentratie dicht in de buurt van de norm komt. Als er zich bedrijven willen vestigen uit een bedrijfstak waarvoor geldt dat er een substantiële emissie voor NO2 kan optreden zal via een milieuvergunning gewaarborgd moet worden dat emissiebeperkende maatregelen worden genomen. Met name voor bedrijven uit de milieucategorie 5.1 zal dit het geval zijn.

Mitigerende en compenserende maatregelen

Er zijn geen overschrijdingen in het studiegebied geconstateerd, dus mitigerende en/of compenserende maatregelen zijn in principe niet nodig. Desalniettemin nemen concentraties wel toe, maar wordt zeker bij woningen, ruimschoots voldaan aan de normen.

6.2.6 Geurhinder

Algemeen

Voor wat betreft het aspect geurhinder kan onderscheid worden gemaakt tussen geurhinder vanwege agrarische bedrijven en geurhinder vanwege overige bedrijvigheid. Voor geurhinder vanwege agrarische bedrijven is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Voor overige bedrijven is er geen sprake van wetgeving. Wel is in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) een systematiek opgenomen voor het beoordelen van geursituaties, de hindersystematiek geur, en worden in bijzondere regelingen per branche toetsingskaders gesteld. De NeR is een richtlijn waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, in voorkomende gevallen kan een strengere of minder strenge norm worden gehanteerd.

Agrarische bedrijvigheid

In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee agrarische bedrijven die mogelijk van invloed zijn op de ontwikkelingsmogelijkheden in het plangebied. Het betreft de bedrijven op de percelen Brinkeweg 109 en Krommedijk 15. Voor beide bedrijven is de geurbelasting (op basis van de vergunde geuremissie) met behulp van het rekenprogramma V-stacks bepaald op de grens van het plangebied. De geurbelasting op de rand van het plangebied bedraagt 2,9 respectievelijk 6,3 odour units/m3. Hiermee wordt de norm van 14 odour units /m3, die geldt voor locaties buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied, bij lange na niet overschreden. De geurhinder van deze bedrijven levert derhalve geen belemmeringen op voor de realisering van het RBAZ.

Bedrijvigheid op het RBAZ

Of er omwonenden geurhinder zullen ondervinden van bedrijven op het RBAZ is nog niet te beoordelen. Geurhinder is namelijk zeer bedrijfsspecifiek en het is nog niet bekend welke bedrijven zich op het terrein zullen gaan vestigen.

Mitigerende en compenserende maatregelen

Aangezien niet bekend is welke bedrijven zich daadwerkelijk zullen vestigingen in het plangebied kan niet vastgesteld worden of er sprake zal zijn van een inrichting waar geur een relevant aspect is. Wanneer bekend is welke bedrijven zich zullen gaan vestigen in het plangebied moet per bedrijf bekeken worden of dit een inrichting is waarvoor geur relevant is en via een milieuvergunning gewaarborgd moet worden dat emissiebeperkende maatregelen worden genomen. Bij toelating van bedrijven zal met betrekking tot geur maatwerk moeten worden geleverd. Op basis van de milieuzonering die in het bestemmingsplan is gehanteerd, wordt gestreefd naar een adequate ruimtelijke scheiding van hinderveroorzakende en hindergevoelige functies, waardoor geurhinder in principe wordt voorkomen.

6.2.7 Lichthinder

Algemeen

Op het gebied van lichthinder zijn geen normwaarden vastgelegd in de (inter)nationale wetgeving. In het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) is alleen vastgelegd dat verlichting voor sportvelden is uitgeschakeld tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Omdat kunstlicht in de buitenruimte door de samenleving steeds meer als bron van hinder wordt ervaren, is door de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) de algemene richtlijn (4 delen) betreffende lichthinder opgesteld. Deze behandelt terreinverlichting, de aanstraling van gebouwen en objecten en reclameverlichting en sluit qua systematiek en richtwaarden aan bij de publicaties van de internationale verlichtingscommissie (CIE, Commission Internationale de l'Eclairage).

De mate van lichthinder is afhankelijk van de algemeen aanwezige hoeveelheid licht in een gebied en het tijdstip van de dag. Hoe donkerder de omgeving, hoe eerder men lichthinder zal ervaren. Daarnaast zaI verlichting in de nacht eerder lichthinder veroorzaken dan verlichting in de avond. Er zijn in de richtlijn vier gebiedstyperingen vastgesteld (E1 t/m E4). De zwaarste eisen gelden voor een natuurgebied met zeer lage omgevingshelderheid (type E1) behorend tot de Ecologische Hoofdstructuur (onder andere Beekbergerwoud). De minst zware eisen gelden voor stedelijke gebieden met een hoge omgevingshelderheid en intensieve nachtelijke activiteiten (type E4). Voor de tijdsindeling is aangesloten bij de systematiek van een dag-, avond- en nachtperiode zoals die wordt gehanteerd bij geluidhinder.

In het Gelders Milieuplan-3 is verder opgenomen dat lichthinder in de natuur zoveel mogelijk wordt beperkt. Wegen in het buitengebied worden alleen verlicht daar waar noodzakelijk en wanneer noodzakelijk. Dus bijvoorbeeld alleen verlichting nabij kruisingen, uitritten of bochten, en alleen verlichten gedurende drukke momenten van de (late) avond en (vroege) ochtend.

Onderzoeksresultaten

Biezematen

In Biezematen wordt gebouwd ver weg van het natuurgebied het Beekbergerwoud en woningen. De ontsluiting vindt plaats aan de binnenzijde van het bedrijventerrein. De kans op lichthinder of lichtvervuiling is daarmee al minimaal en zal, als het zich al voordoet, beperkt zijn tot weggebruikers op de snelwegen en machinisten.

Beekbergsebroek

In Beekbergsebroek Noord wordt dichter bij het natuurgebied de Beekbergerwoud en woningen gebouwd en wordt ook de hoogwaardig architectonische brug gebouwd. De kans op lichthinder is hierdoor groter. De bedrijventerreinen zijn naar buiten gericht waardoor de kans op de wens van lichtreclame en gevelverlichting groter zal zijn. De kans op lichthinder is daarmee groter dan in de eerste fase. Er kan enige lichtvervuiling optreden door gevelverlichting of lichtreclame.

In Beekbergsebroek Zuid wordt het dichtst bij het natuurgebied het Beekbergerwoud gebouwd. Aangezien de ontsluitingswegen binnen het bedrijventerrein liggen en de bedrijven met de achterzijde naar de natuur zijn gericht zal lichthinder door openbare verlichting tot een minimum beperkt blijven.

Indien de ambitie van het niet toelaten van lichtreclame binnen een afstand van kleiner dan 500 meter tot het Beekbergerwoud waarheid wordt zal de lichthinder naar verwachting beperkt zijn en dus weinig meer dan bij realisatie van Beekbergsebroek Noord. Lichtvervuiling is niet te verwachten door Beekbergsebroek Zuid.

Mitigerende en compenserende maatregelen

Alles valt of staat met het integreren van de NSVV richtlijnen voor lichthinder in de meer gedetailleerde plannen in latere stadia ter beperking van de lichthinder en lichtvervuiling. Daarnaast kan de verlichting in de nachtperiode worden gedimd of geheel uitgeschakeld.

6.2.8 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als lpg-stations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Kwetsbare objecten zoals woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, grote (kantoor)gebouwen en grotere recreatieterreinen zijn niet toegestaan binnen de PR 10-6-contour. Beperkt kwetsbare objecten zoals grotere winkels, restaurants, sporthallen, grote gebouwen en speeltuinen zijn in principe niet toegestaan binnen de PR 10-6-contour.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Onderzoeksresultaten plaatsgebonden risico en groepsrisico

Biezematen en Beekbergsebroek worden niet ontwikkeld op locaties waar het plaatsgebonden risico door bestaande activiteiten met gevaarlijke stoffen (bedrijven of transport) meer dan 10-6 bedraagt. Nieuw te vestigingen inrichtingen op RBAZ mogen geen PR 10-6-contour buiten de terreingrens van de inrichting hebben.

Bij Biezematen is sprake is een lichte afname van het groepsrisico (dus een verbetering) doordat met het verdwijnen van een aantal woningen en een school het aantal personen binnen het invloedsgebied van het bedrijf Interlogica op de Ecofactorij wat afneemt.

Bij de realisatie van Biezematen en Beekbergsebroek is het groepsrisico laag. Er is slechts een zeer lichte toename van het groepsrisico door realisatie van fase 2, doordat er meer mensen in het gebied komen binnen de invloedssfeer van bestaande risicobronnen (in dit geval de lussen van de A1 en de A50 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt). Het groepsrisico blijft minstens een factor 10 onder de oriëntatiewaarde. Nieuwe te vestigen bedrijven mogen geen invloedsgebied buiten het bedrijventerrein hebben, dus er is geen invloed van de plannen op het groepsrisico van de omgeving.

Mitigerende en compenserende maatregelen

Bij het vestigen van nieuwe risicovolle inrichtingen binnen het plangebied mag in principe geen PR 10-6-contour buiten de terreingrens van de inrichting aanwezig zijn conform de beleidsvisie externe veiligheid en mag het invloedsgebied niet buiten de grens van het industrieterrein vallen. Dit zal bij de toelating van nieuwe bedrijven steeds getoetst moeten worden. Deze uitgangspunten voorkomen verder, dat in het plangebied bedrijven gevestigd worden met grote risico's en/of effecten.

Op circa 145 meter buiten het plangebied is, op het perceel IJsseldijk 41, het onderstation Woudhuis van Nuon Transport gelegen. In verband met de elektriciteitvoorziening is deze inrichting van grote infrastructurele waarde. Derhalve dient deze inrichting beschouwd te worden als een beperkt kwetsbaar object conform artikel 1, onder b, onderdeel i van het Bevi. Bij de vestiging van toekomstige Bevi-inrichtingen dient dus rekening gehouden te worden met het onderstation Woudhuis.

Buisleidingen

Ten noorden van de A1 en ten westen van de A50 ligt een hogedrukgasleiding (12 inch) tegen de snelweg aan. Deze leiding heeft geen invloed op het plangebied. Uit onderzoek van DHV, dat in het kader van de m.e.r. is verricht, is gebleken dat er geen significante toename van het groepsrisico plaatsvindt ten gevolge van de realisering van het RBAZ.

Transport gevaarlijke stoffen

In Apeldoorn zijn geen speciale routes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. In verband met de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de rijkswegen de A1 en A50, is door DHV onderzoek uitgevoerd naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daaruit blijkt dat er geen PR 10-6-contour aanwezig is. Het groepsrisico vertoont een minimale stijging ten gevolge van de realisatie van het RBAZ. De toename van het groepsrisico is minder dan 10% en het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde. Derhalve is er geen uitgebreide groepsrisicoverantwoording nodig. Het groepsrisico wordt in dit geval acceptabel geacht.

Binnen de plasbrandaandachtsgebieden (30 meter) van de A1 en de A50 vinden geen ontwikkelingen plaats waarbij personen worden toegevoegd aan het plangebied.

In de nabijheid van deelgebied 2 (Biezenmaten) zijn geen provinciale wegen gelegen. Ten westen van deelgebied 1 (Beekbergsebroek) is de provinciale weg Kanaal Zuid gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Gelet op de zeer geringe hoeveelheid transport van gevaarlijke stoffen over deze weg in combinatie met de lage bevolkingsdichtheid zal het groepsrisico ten gevolge van het RBAZ een minimale toename kennen. Het groepsrisico wordt in dit geval acceptabel geacht.

In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

6.2.9 Elektromagnetische straling

Hoogspanningsleidingen

In Biezematen liggen twee hoogspanningsleidingen, één ondergronds en één bovengronds (masten). Bij de ontwikkeling van Biezematen wordt hiermee rekening gehouden. Voor de bovengrondse leiding geldt dat in principe een afstand van 28 meter, vanuit het midden van de hoogspanningskabels, tot naastliggende bebouwing aangehouden dient te worden. Deze bebouwingsvrije zone is opgenomen in het bestemmingsplan.

Op basis van advies van het ministerie van VROM en jurisprudentie van de Raad van State moet vermeden worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij voor gevoelige bestemmingen de referentiewaarde van 0,4 micro-tesla (het jaargemiddelde magneetveld) wordt overschreden. Voor de aanwezige hoogspanningsleidingen geldt een zone van 65 tot 75 meter aan weerszijden van de leidingen waarbinnen geen gevoelige bestemmingen geprojecteerd mogen worden. Gelet op het huidige plan worden er geen bestemmingen of functies gerealiseerd waarbij kinderen langdurig verblijven binnen deze zone. Met betrekking tot de hoogspanningsleidingen bestaan dus geen belemmeringen.

6.2.10 Windmolens

Op het bedrijventerrein Ecofactorij, ten noorden van het deelgebied Biezematen (Ecofactorij II) worden vijf windmolens gerealiseerd met een rotordiameter van 90 meter. In het kader van de Wet milieubeheervergunning en de bestemmingsplanprocedure voor deze windmolens is onderzoek verricht naar mogelijke hinder vanwege geluid en slagschaduw.

De 53 dB(A)-contour van het windmolenpark is deels over de Biezematen gelegen. Aangezien op het RBAZ geen geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, levert de ligging van deze contour geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan. In het slagschaduwonderzoek is een norm van 6 uur per jaar gehanteerd waarbij hinderlijke schaduw mag optreden bij gevoelige objecten. De contour van deze norm ligt deels over de Biezematen. Aangezien de toekomstige activiteiten op het RBAZ niet slagschaduwgevoelig zijn, levert dit geen belemmeringen op voor voorliggend bestemmingsplan. De slagschaduw zal op een deel van het nieuwe bedrijventerrein wel waarneembaar zijn. Bij de positionering en inrichting van gebouwen kan hier rekening mee worden gehouden.