direct naar inhoud van 2.4 Beleidsthema's
Plan: Bestemmingsplan Beekbergsebroek - Biezematen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1043-von1

2.4 Beleidsthema's

2.4.1 Verkeer

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de 'Verkeersvisie 2010-2020' (juli 2009). Hierin zijn de hoofdlijnen van het gemeentelijk mobiliteitsbeleid opgenomen. Doel is het behouden en liefst vergroten van de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid. Dit kan onder meer door het stimuleren van alternatieven voor de auto, het gebruik van de bestaande verkeersruimte slim te verdelen en het bundelen van autoverkeer op een beperkt aantal hoofdwegen. Doorstroming op hoofdwegen is van belang om de bereikbaarheid van bedrijventerreinen, binnenstad, stadsdelen en snelwegen te garanderen.

Om het gebruik van de fiets te stimuleren wordt in de Verkeersvisie, evenals in het voorgaande verkeersbeleid, ingezet op een radiaal net van 10ussen woonwijken en de binnenstad. Op de doorstroomassen kunnen fietsers ongestoord, veilig en comfortabel fietsen. Onder de doorstroomassen ligt een fijnmazig netwerk van fietspaden, fietsstroken en woonstraten waar gefietst wordt. Van belang zijn goede fietsvoorzieningen tussen stad en dorpen. De route door De Maten over de Polderweg/Elsbosweg naar Klarenbeek is onderdeel van het bovenlokale fietsnetwerk. De route langs het Apeldoorns Kanaal behoort tot het knooppuntennetwerk.

De parkeernormen voor woningen, bedrijven en diverse voorzieningen uit de 'Actualisatie Parkeernota' (2004) blijven van kracht. Op bedrijventerreinen wordt de parkeernorm voor bedrijven en kantoren gehanteerd als minimumnorm, met een in principe maximaal toegestane overschrijding van 10%.

2.4.2 Water

Sinds 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. Deze richtlijn heeft tot doel oppervlaktewater en grondwater kwalitatief en kwantitatief te beschermen en verbeteren. De richtlijn volgt de stroomgebiedsbenadering.

De hoofddoelen van de Kaderrichtlijn zijn:

  • het bereiken van een goede chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater;
  • het realiseren van een forse vermindering van lozingen en emissies naar het oppervlaktewater van stoffen die het milieu schaden;
  • het bewerkstelligen van een aanzienlijke vermindering van huidige en toekomstige verontreiniging van grondwater.

De lidstaten van de Europese Unie hebben de wettelijke plicht om de kaderrichtlijn in hun wetgeving vast te leggen en te laten doorwerken in hun plannen. De doelen chemisch en ecologisch moeten in 2015 voor alle waterlichamen gehaald zijn. In 2009 moeten de te bereiken resultaten vastgelegd zijn in een Stroomgebiedbeheersplan.

Naar aanleiding van de extreem hoge waterstanden op de grote rivieren in 1993 en 1995 en de wateroverlast door extreme neerslag in 1998, is in 1999 de Commissie Waterbeheer 21eEeuw ingesteld. Het advies van deze commissie is overgenomen in het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water', dat drie belangrijke onderdelen heeft:

  • 1. Waterbeleid moet worden gebaseerd op de stroomgebiedsbenadering.
  • 2. De watertoets en de waterparagraaf zijn verplichte onderdelen van ruimtelijke planprocedureregels en ruimtelijke plannen.
  • 3. De trits vasthouden-bergen-afvoeren is leidraad bij de keuze van maatregels, waarbij:
    • a. gebiedseigen (neerslag)water zo lang mogelijk vast wordt gehouden;
    • b. neerslagwater zo veel mogelijk in het eigen gebied wordt geborgen;
    • c. alleen overtollig water (zo traag mogelijk) afgevoerd wordt.

Ter uitvoering van het kabinetsstandpunt is medio 2003 het Nationaal Bestuursakkoord Water ondertekend door het rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Uitvoering van het akkoord moet er toe leiden dat het watersysteem in 2015 op orde is.

Sinds 1 november 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in het Derde Waterhuishoudingsplan Gelderland 2005 - 2009 (2004). Uitgangspunt van dit plan is om in 2030 is het waterbeheer volledig op orde te hebben. Het Waterhuishoudingsplan dient om te voorzien in water dat geschikt is voor de verschillende functies. Het beleid gericht op specifieke functies zorgt ervoor dat de bijzondere vereisten van het watersysteem ter plaatse afgestemd worden op die functie. Een van de onderscheiden functies is het stedelijk gebied.

Voor wateroverlast door neerslag in gebieden met de functie stedelijk gebied geldt een norm van eens in de 100 jaar. Nieuw stedelijk gebied kan alleen ontwikkeld worden als grondwateroverlast wordt voorkomen zonder daarmee waterhuishoudkundige problemen in het stroomgebied te veroorzaken. Watertekort in stedelijke gebieden wordt zoveel mogelijk ondervangen door maatregels die erop gericht zijn gebiedseigen water vast te houden.

De waterketen in stedelijk gebied is zodanig ingericht dat deze geen negatieve invloed heeft op het grond- en oppervlaktewater. Stedelijke ontwikkeling, herinrichting en herstructurering dient waterneutraal te zijn en wordt benut om het watersysteem waar nodig op orde te brengen en te verduurzamen. Een van de sleutelprojecten die de provincie in het Waterhuishoudingsplan heeft geformuleerd is het realiseren van beekherstel in en rond de stad Apeldoorn.

In 2005 is 'Werken aan water', het Apeldoorns waterplan 2005 - 2015, vastgesteld. Het waterplan beschrijft de visie van de Apeldoornse waterpartners Vitens, Waterschap Veluwe en gemeente op water in de stad en de dorpen. Het plan stelt de kaders voor het onderhoud en voor toekomstige plannen met water. Tevens dient het plan als basis voor communicatie en als toetsingskader voor de watertoets. In het waterplan zijn de hoofdlijnen per deelgebied uitgewerkt in uitgangspunten voor de waterparagraaf.

2.4.3 Externe Veiligheid

De gemeente Apeldoorn wil haar burgers en bedrijven een veilige leef- en werkomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Apeldoorn externe veiligheidsbeleid geformuleerd. Dit beleid is vastgelegd in de Beleidsvisie Externe Veiligheid (juni 2008). Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risico's doen zich zowel voor bij risicovolle inrichtingen als rondom transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving en beleidsnota's, onder andere in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Invulling geven aan deze wettelijke verplichtingen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Apeldoorn aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's om dient te worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen bij het nemen van besluiten.

2.4.4 Duurzaamheid

De uitgangspunten van duurzame ontwikkeling binnen de Gemeente Apeldoorn zijn vastgelegd in de nota's 'Apeldoorn ontwikkelt Duurzaam, Aanpasbaar en Flexibel' (DAF-nota) en 'Apeldoorn Duurzaam, zo doen we dat hier', in de Woonvisie 2010, in het MOP 2005-2009 en in diverse collegebesluiten, waaronder die over het BANS-klimaatprogramma. De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Apeldoorn zijn hoog. Een belangrijk uitgangspunt bij deze duurzame ontwikkeling vormt het besluit van de gemeenteraad om als stad energieneutraal te zijn in 2020.

De uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer zijn vastgelegd in de in 2005 vastgestelde nota 'Werken aan water; Apeldoorns waterplan 2005-2015'. Dit waterplan dient ook als basis voor de watertoets. In het Bouwbesluit zijn eisen geformuleerd voor energie en binnenmilieu, zoals de energieprestatienormering. Andere wettelijke instrumenten zijn de Wet milieubeheer en de Bouwverordening. Maatregelen die een duidelijke relatie hebben met ruimtelijke ordening, zoals dichtheden, zongerichte oriëntatie van kavels en de hoeveelheden groen, open water en verhard oppervlak, kunnen worden opgenomen in bestemmingsplannen. Op grond van doelstellingen uit het Gelders Milieubeleidsplan en het Gelderse Grote Steden ontwikkelingsbeleid heeft de provincie met gemeenten, waaronder Apeldoorn, afspraken gemaakt over duurzaamheid. Voor de realisatie van de gemeentelijke ambities en voor het nakomen van de afspraken met de provincie is aanvullend instrumentarium ontwikkeld.

2.4.5 Cultuurhistorie en archeologie

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart.

Archeologische beleidskaart

De archeologische beleidskaart doet op perceelsniveau een uitspraak over de trefkans van archeologische resten. De trefkans kent drie gradaties:

  • Hoge trefkans: bij ruimtelijke ontwikkelingen is archeologisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud van archeologische waarden.
  • Gemiddelde trefkans: bij ruimtelijke ontwikkelingen is archeologisch bureauonderzoek verplicht, afhankelijk van de uitkomsten kan veldonderzoek verplicht worden. Gestreefd wordt naar behoud van archeologische waarden.
  • Lage trefkans: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een archeologische quickscan vereist, afhankelijk van de resultaten wordt vervolgonderzoek aanbevolen. Behoud van archeologische waarden wordt aanbevolen.

Cultuurhistorische beleidskaart

Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quickscan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen. Voor het plangebied werd er in dit beleidsdocument nog vanuit gegaan dat zowel de trefkans als de attentiewaarde laag zijn. Inmiddels is een verfijnde archeologische verwachtingenkaart gemaakt en blijkt dat alle drie de gradaties van attentiewaarde voorkomen in het gebied. De cultuurhistorische attentiewaarde is overwegend laag, maar (de zone langs) het kanaal heeft een hoge waarde.

2.4.6 Welstand

Artikel 12a van de Woningwet verplicht alle gemeenten om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juli 2004 de kadernota 'Over welstand geschreven' vastgesteld. De nota geeft de kaders voor het welstandsbeleid. Hiermee worden bouwplannen getoetst aan redelijke eisen van welstand, om de fraaie leefomgeving in de stad te behouden en te versterken. Voor het plangebied en omgeving wordt via een beeldkwaliteitplan gebiedsgericht welstandsbeleid opgesteld. Dit welstandsbeleid is gericht op de ontwikkelingen die in het gebied gaan plaatsvinden en heeft als uitgangspunt het faciliteren, stimuleren en prikkelen van kwaliteit door het scheppen van goede voorwaarden. Het welstandsbeleid voor ontwikkelingsprojecten geldt slechts voor de duur van de ontwikkeling. Daarna worden nieuwe welstandseisen vastgesteld voor beheer van het gebied.

2.4.7 Bodem

De uitgangspunten voor het thema 'bodem' binnen de gemeente Apeldoorn zijn vastgelegd in de nota's 'Beleidsnota Bodem 2008 'De Gelderse Wegwijzer door bodemland' deel 1 en deel 2', 'Uitvoeringsnota Bodem 2009 - 2012' en 'Bodembeheerplan gemeente Apeldoorn', (uitvoering Ministeriële Vrijstellingsregeling grondverzet). In deze nota's staat beschreven hoe onderzoek en sanering van de bodem moet worden uitgevoerd en onder welke condities hergebruik van grond kan plaatsvinden.

2.4.8 Economie

De economische koers en ambities van Apeldoorn zijn vastgelegd in de Strategische Economische Beleidsvisie Apeldoorn (SEBA) 2000-2020. Deze beleidsvisie is in 2001 door de gemeenteraad vastgesteld en vormt het kader waar concrete projecten aan worden getoetst. Apeldoorn kiest ervoor zich te ontwikkelen als een stad met een brede economische basis en een evenwichtig opgebouwde werkgelegenheid. Geen concentratie of specialisatie in één of enkele bedrijfsbranches, maar een brede en gevarieerde productiestructuur. Behalve op een aantrekkelijk woonklimaat en een aansprekende binnenstad, is het beleid gericht op het zorgen voor voldoende werklocaties voor bedrijven, winkels, kantoren en leisurevoorzieningen. Voor de planning en programmering van bedrijventerreinen betekent dit dat wordt ingezet op een gedifferentieerd aanbod aan locaties, zodat er vestigingsmogelijkheden beschikbaar zijn voor de verschillende bedrijfssegmenten. Het gaat daarbij zowel om kavels voor kleinschalige en grootschalige bedrijvigheid, locaties met de mogelijkheid van een dienstwoning als kavels/deelgebieden met kantoorachtige en representatieve uitstralingen. Het Regionaal Bedrijventerrein Apeldoorn Zuid is één van de projecten die passen in de doelstellingen van SEBA 2000-2020.

2.4.9 Industrieel geurbeleid

Het gemeentelijke industrieel geurbeleid is vastgelegd in de Beleidsnotitie industrieel geurbeleid Apeldoorn, die op 30 augustus 2004 is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Gemeentelijk geurbeleid kan slechts worden opgesteld voor bedrijven die niet onder een bijzondere regeling van de NeR (Nederlandse Emissierichtlijn Lucht), een AMvB of de agrarische geurhinderwetgeving vallen. Het beleid is daarom slechts voor een beperkt aantal bedrijven relevant. In de beleidsnotitie is geconcludeerd dat in Apeldoorn geen echte geurproblematiek voorkomt.

In de beleidsnotitie is een handreiking gegeven hoe invulling gegeven kan worden aan het aspect geur in verband met verleende en te verlenen milieuvergunningen. Het provinciaal geurbeleid (2002) is hierop van toepassing verklaard. Daarnaast is in de beleidsnotitie een geurzoneringsbeleid opgesteld voor het bedrijventerrein Ecofactorij, vanwege het beoogde duurzame karakter van dit terrein. Dit beleid heeft uitsluitend betrekking op bedrijven die zich willen vestigen op de Ecofactorij en gaat ervan uit dat bij de vergunningverlening voor bedrijven die zich op dit bedrijventerrein willen vestigen, rekening wordt gehouden met de totale (gecumuleerde) geurbelasting ten gevolge van meerdere bedrijven.