direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Bestemmingsplan Beekbergsebroek - Biezematen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1043-von1

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische bedrijven, met dien verstande dat een gebruik als intensieve veehouderij niet is toegestaan;
  • b. nevenactiviteiten in categorie 1, zoals vermeld in de bij deze regels behorende Lijst van toegelaten nevenactiviteiten;
  • c. beroepsuitoefening aan huis;
  • d. recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, hobbymatig weiden van vee, wandelen en fietsen;
  • e. natuurontwikkeling - en beheer;
  • f. wegen en paden;
  • g. nutsvoorziening;
  • h. water, waterberging, en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder A-watergangen;

met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

3.2 Bouwregels

Naast de algemene aanduidingsregels van artikel 19 en de algemene bouwregels van artikel 17 gelden de specifieke regels van het navolgende bebouwingsschema, waarbij geldt dat de in het schema voorkomende verwijzingen verwijzen naar de in lid 3.3 genoemde ontheffingen.

Bebouwing   Maximale oppervlakte/inhoud   Maximale goothoogte   Maximale bouwhoogte   Bijzondere regels  
Bedrijfsgebouwen










 
  6 m   8,5 m   - Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
- De afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 m;
- Kassen zijn niet toegestaan.  
Bedrijfswoningen   600 m³   4 m     - Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
-Voor het bepalen van de inhoud worden de deel, inpandige garages en bergingen meegeteld;
- Per bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan;
- De afstand van de bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 m
- Voor het splitsen van de bedrijfswoning in twee wooneenheden geldt het bepaalde in lid 3.3a;

 
Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen   75 m²   3 m   5 m   -Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
-Bijgebouwen en overkappingen mogen niet voor de voorgevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan worden opgericht (3.3 b)
- De afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 m  
Bouwwerken geen gebouwen zijnde







- Mestsilo's

- Sleufsilo's

- Overige silo's

- Erf- en terreinafscheidingen





- Antenne-installati e s

- Bouwwerken voor teeltondersteunende voorzieningen





- Paardenbakken
















- Overig  











2.500 m²  
 








6 m

4 m

10 m

1,5 m






15 m

1,5 m









2 m
















6 m
 
- Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen en bouwwerken geen gebouwen zijnde voor teeltondersteunende voorzieningen;



-Mestsilo's, sleufsilo's en overige silo's mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;




- Voor zover erfafscheidingen zijn gelegen binnen het bouwvlak en achter de voorgevel van de bedrijfswoningen of het verlengde daarvan bedraagt de hoogte ten hoogste 2 m (3.3 d)






- Indien de paardenbak geen onderdeel vormt van de bedrijfsactiviteiten zoals bepaald in lid 1 geldt dat er ten hoogste één paardenbak per bedrijfswoning is toegestaan
- Bouwwerken ten behoeve van een paardenbak mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
- De afstand van een paardenbak tot (bedrijfs)woningen van derden bedraagt minimaal 50 meter;
- Uitsluitend in samenhang met een ontheffing als bedoeld in lid 3.5 zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van een paardenbak buiten het bouwvlak toegestaan



 
3.3 Ontheffing van de bouwregels

Ontheffingen als bedoeld in dit lid kunnen alleen worden verleend voor zover de aldaar in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 3.2 bepaalde:

  • a. Teneinde een tweede agrarische bedrijfswoning toe te staan, mits:
    • 1. Dit bedrijfseconomisch aantoonbaar noodzakelijk is:
      • I. De aard van het bedrijf vereist blijvend toezicht van twee personen op het bedrijf, en
      • II. Het bedrijf heeft ten minste twee maal de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf, waardoor de continuïteit als tweemansbedrijf verzekerd is;
    • 2. De bedrijfswoning niet is gelegen in het gebied tussen de weg en de 48 dB-contour.
  • b. Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning voor de voorgevel van de woning of het verlengde daarvan;
  • c. Voor het buiten het bouwvlak oprichten van bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2 per agrarisch bedrijf en een hoogte van ten hoogste 3 m, mits dat noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en de bebouwing niet binnen het bouwvlak zelf kan worden opgericht;
  • d. Voor het ten behoeve van de privacy oprichten van een terrein- of erfafscheiding binnen het bouwvlak tot een hoogte van 2 m voor de voorgevelrooilijn bij woningen, mits dit op grond van sociale- en verkeersveiligheidsredenen aanvaardbaar is;

Op het verlenen van ontheffingen zijn de in artikel 22.1 opgenomen procedureregels van toepassing.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Naast de algemene aanduidingsregels van artikel 19 en de gebruiksregels van artikel 18 gelden de volgende specifieke regels:

3.4.1 Niet toegelaten bedrijven

Behoudens bestaande bedrijven zijn niet toegestaan:

  • a. Wormen-, maden- en viskwekerijen en fokkerijen en mesterijen van ganzen, eenden en kalkoenen, voor zover dit in de open lucht plaatsvindt;
  • b. Pelsdierhouderijen, voor zover dit in de open lucht plaatsvindt.
3.4.2 Wegen

De rijbaanbreedte van wegen mag ten hoogste 5 meter bedragen. Voor bestaande wegen die een grotere breedte hebben, geldt de bestaande breedte als maximum. Naast de rijbaan is aan één zijde van de weg een in twee richtingen berijdbaar fietspad of aan beide zijden een in één richting berijdbaar fietspad toegestaan, mits:

  • a. Het fietspad binnen een afstand van ten hoogste 15 m uit de kant van de rijbaan is gesitueerd;
  • b. De breedte van een in één richting berijdbaar fietspad niet meer dan 2 m en van een in twee richtingen berijdbaar fietspad niet meer dan 3,5 m bedraagt;
  • c. De aangeduide waarden niet worden aangetast.
3.4.3 Paardenbakken

Het is niet toegestaan de gronden gelegen buiten het bouwvlak te gebruiken ten behoeve van paardenbakken.

3.4.4 Nevenactiviteiten

Buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten is niet toegestaan. Nevenactiviteiten zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het maximale vloeroppervlak ten behoeve van de nevenactiviteiten bedraagt 85 m2.

3.5 Ontheffing van de gebruiksregels
3.5.1 Algemene ontheffingen

Ontheffingen als bedoeld in dit lid kunnen alleen worden verleend voor zover de aldaar in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 3.4 bepaalde:

  • a. Teneinde de maximale rijbaanbreedte van wegen met ten hoogste 2 m te verbreden, mits voor een goede verkeersafwikkeling noodzakelijk;
  • b. Teneinde fietspaden niet op een afstand tot ten hoogste 15 m maar op een afstand tot ten hoogste 25 m uit de kant van de rijbaan aan te leggen, mits noodzakelijk in verband met de ruimtelijke inrichting van de gronden;
  • c. Voor het realiseren van paardenbakken behorende bij een agrarisch bedrijf gelegen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat:
      • I. De gehele paardenbak binnen een afstand van 75 meter van het betreffende bouwvlak of bestemmingsgrens gesitueerd dient te worden;
      • II. Er geen onevenredige hinder tengevolge van de paardenbak mag optreden bij andere (bedrijfs)woningen. In ieder geval mag de afstand tussen enig punt van de paardenbak en een (bedrijfs)woning van derden niet minder dan 50 meter bedragen;
      • III. De hoogte niet meer dan 2 meter bedraagt;
      • IV. De realisatie binnen het betreffende bouwvlak dan wel binnen de betreffende bestemmingsgrens aantoonbaar niet haalbaar is.
  • d. Op het verlenen van ontheffingen zijn de in artikel 22.1 opgenomen procedureregels van toepassing.
3.5.2 Ontheffing voor nevenactiviteiten

Ontheffingen als bedoeld in dit lid kunnen alleen worden verleend voor zover de aldaar in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 3.1 onder sub b en lid 3.4.4 bepaalde teneinde:

  • a. Nevenactiviteiten in categorie 2 toe te staan, zoals vermeld in de bij deze regels behorende Lijst van toegelaten nevenactiviteiten;
  • b. Nevenactiviteiten toe te staan die niet zijn genoemd in de Lijst van toegelaten nevenactiviteiten en die naar hun aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met nevenactiviteiten die wel voorkomen op de lijst;
  • c. Het maximale vloeroppervlak ten behoeve van nevenactiviteiten te vergroten;
  • d. Gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor nevenactiviteiten toe te staan, mits:
    • 1. het vloeroppervlak ten behoeve van de nevenactiviteiten niet meer bedraagt dan 25% van het vloeroppervlak ten behoeve van de hoofdfunctie, met een absoluut maximum van 350 m²;
    • 2. een gebruik van gronden buiten het bouwvlak zich beperkt tot gronden direct aansluitend aan het bouwvlak;
    • 3. wordt voorzien in een kwalitatief zorgvuldige inpassing in het landschap, indien nodig geacht met behulp van het aanbrengen van beplanting;
    • 4. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
    • 5. de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.
3.5.3 Ontheffing voor recreatief medegebruik

Ontheffingen als bedoeld in dit lid kunnen alleen worden verleend voor zover de aldaar in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 3.1 onder sub d bepaalde teneinde overige vormen van recreatief medegebruik toe te staan, mits de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt en de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.

Op het verlenen van ontheffingen zijn de in artikel 22opgenomen procedureregels van toepassing.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid

Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in dit lid mag alleen plaatsvinden voor zover de in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van:

  • 1. Realisatie nieuwe waarden.
  • 2. Het vergroten van een bouwvlak tot een totaal oppervlak van ten hoogste 1 ha, mits dit voor een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering aantoonbaar noodzakelijk is.