direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Bestemmingsplan Kopermolenweg 15 en omgeving Wenum Wiesel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1028-ont1

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Agrarisch bedrijf
  • b. recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, hobbymatig weiden van dieren, wandelen en fietsen, waaronder lange-afstandswandelroutes';
  • c. natuurbeheer;
  • d. wegen, ter plaatse van de aanduiding 'weg', met dien verstande dat wegen voorzover bestaand tevens zijn toegestaan op gronden die niet zijn aangeduid als 'weg';
  • e. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

3.2 Bouwregels

Naast de algemene bouwregels van artikel 9 en de regels voor gebiedsaanduidingen van hoofdstuk 3 gelden de specifieke regels van het navolgende bebouwingsschema.

Bebouwing   Maximale oppervlakte/
inhoud  
Maximale goothoogte   Maximale bouwhoogte   Bijzondere regels  
- erf- en terreinafscheidingen       2 m    
- antenne-installaties
 
    15 m    
- overig
 
    6 m    
- paardenbakken, stapmolens en lichtmasten t.b.v. paardenbakken       2 m   - indien de paardenbak geen onderdeel vormt van het agrarisch bedrijf als bedoeld in lid 3.1 is er ten hoogste één paardenbak toegestaan binnen het bestemmingsvlak 'agrarisch';
- de afstand van een paardenbak tot (bedrijfs)woningen van derden bedraagt ten minste 50 meter;
- de gehele paardenbak binnen een afstand van 75 meter van het bestemmingsvlak 'wonen' gesitueerd dient te worden;
- er geen onevenredige hinder ten gevolge van de paardenbak mag optreden bij andere (bedrijfs)woningen;
- de hoogte van de paardenbakomheiningen en lichtmasten niet meer dan 2 meter bedraagt;
 

3.3 Ontheffing van de gebruiksregels
3.3.1 Ontheffingsbevoegdheid voor recreatief medegebruik

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 3.1 onder b bepaalde teneinde overige vormen van recreatief medegebruik, toe te staan, mits de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt en de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.

3.3.2 Voorwaarden voor ontheffing

Ontheffingen als bedoeld in dit lid kunnen alleen worden verleend voor zover de aldaar in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

3.3.3 Verwijzing procedureregels ontheffing

Op het verlenen van ontheffingen zijn de in artikel 16 opgenomen procedureregels van toepassing.

3.4 Aanlegvergunning

De in artikel 18 opgenomen regels voor aanlegvergunningen zijn van toepassing.