direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Hoenderparkweg 6 en 8
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1020-vas1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

5.1.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Onderzoeksresultaten bodem

De conclusie van het rapport Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Hoenderparkweg 8 te Apeldoorn d.d. 18 december 2008, opgesteld door Grondslag BV uit Kamerik en opgenomen in bijlage 'Bodemonderzoek' van de Bijlagen bij de toelichting, luidt als volgt:

"De gestelde hypothese, dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen verontreiniging wordt verwacht, is niet bevestigd. Er zijnin het grondwater geen verhogingen aangetoond. In de grond, ter plaatse van boring 1/104, is een sterke verhoging van PAK aangetoond. De sterke verontreiniging is anwezig vanaf het maaiveld tot een diepte van 1,1 m -mv. Vanaf 1,1 m -m zijn enkel lichte verhogingen aangetoond. Deze verontreiniging is zowel horizontaal als verticaal afgeperkt door middel van de boringen 103/10/105 en 106. De omvang wordt geraamd op circa 15 m3. Er is daarom geen sprake van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet Bodembescherming.

De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek.

De onderzoeksresultaten vormen ons inziens milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de transactie van het perceel en de beoogde woonbestemming of bedrijfsmatige bestemming.

Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de bouw vrijkomt, te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is, kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. Indien de gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, is in sommige gevallen hergebruik mogelijk zonder aanvullende onderzoek.

Indien grond vrijkomt ter plaatse van boring 1/104, dient er rekening gehouden te worden met het feit dat deze grond sterk verontreinigd is. Deze grond dient onder milieukundige begeleiding te worden ontgraven en afgevoerd. Aanbevolen wordt om in dat geval een beknopt plan van aanpak op te stellen."

5.1.3 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Dit bestemmingsplan laat nieuwe woonruimten (verenigd in een 'zorgwoning') toe. Op grond van de Wet geluidhinder moet daarom akoestisch onderzoek worden uitgevoerd, en wel naar geluidshinder ten gevolge van het wegverkeer. De verwachting is dat de uitkomsten van dit onderzoek geen belemmeringen zullen opwerpen voor het hergebruik van de bebouwing.

Dit onderzoek heeft plaatsgevonden, en geleid tot de verwachte conclusie. Zie Bijlage Akoestisch onderzoek.

5.1.4 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen gebieden met functiemenging zijn er milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar of zelfs aaneengebouwd of in het zelfde pand zijn of kunnen worden gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- of wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere leefbaarheid en/of levendigheid tot stand te brengen.

Milieuzonering rondom de percelen Hoenderparkweg 6 en 8

Het plangebied is gelegen in (historisch ontstaan) gemengd gebied. Het bebouwingslint aan de Hoenderparkweg bestaat uit verspreide woningen en bedrijfjes, die door elkaar heen voorkomen. Hier dienen in principe de richtafstanden uit de kolom 'richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied' te worden aangehouden.

Het perceel Hoenderparkweg 6 en 8 ligt in een gemengd gebied: een woonwijk met kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Er kan daarom een correctie voor het milieuaspect geluid ten opzichte van het referentie-omgevingstype “rustige woonwijk” uitgevoerd worden.

Het verzoek betreft alleen een milieugevoelige functie (wonen). Er is hier daarom alleen sprake van inwaartse zonering.

Inwaartse zonering

Binnen het onderzoeksgebied (50 à 100 meter rond het plangebied) zijn onderstaande voor dit planadvies relevante bedrijven en instellingen gelegen.

Hoenderparkweg 8a: brandweerpost buiten bedrijf

Aangrenzend aan de planlocatie bevindt zich een voormalige brandweerpost aan de Hoenderparkweg 8a. (Dit is niet het deel van het perceel Hoenderparkweg 8a dat rechtstreeks grenst aan het plangebied.) Sinds november 2008 is de brandweerpost buiten gebruik. Het vrijwillige korps 'Eendracht' rukt niet meer uit vanuit deze remise. Er heeft een samenvoeging plaatsgevonden met de vrijwilligers van de brandweerpost Centrum (Vosselmanstraat 203).

Een functionerende brandweerkazerne heeft een gecorrigeerde milieuzone van 30 meter. De planologische bestemming (maatschappelijke doeleinden) heeft ook een milieuzone van 30 meter. Omdat de brandweerpost ter plekke niet meer functioneert en ook niet meer terugkomt, en omdat het niet waarschijnlijk is dat op deze plek een zwaardere activiteit terugkomt dan milieucategorie 2 (voor deze milieucategorie geldt binnen omgevingstype gemengd gebied een richtafstand van 10 meter), valt de hindercirkel niet over het perceel Hoenderparkweg 6-8. Het tussengelegen pand Hoenderparkweg 8a (bedrijfscategorie 1), heeft precies de breedte van 10 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1020-vas1_0008.jpg"

Figuur 8. Bovenste rood omlijnde vlak: Hoenderparkweg 6 en 8. Onderste rood omlijnde vlak: Hoenderparkweg 8a (voormalige brandweerpost).

Tussen Eendrachtstraat 97 en 101, maatschappelijke doeleinden

Ten noorden van de planlocatie ligt het perceel Eendrachtstraat tussen 97 en 101, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie L, nummers 10132 en 2592, met de planologische bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’. De hierop gevestigde nutsvoorziening (NUON) kent een in acht te nemen zone van 10 meter op basis van veiligheidsregelgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1020-vas1_0009.jpg"

Figuur 9. De 10-meter zone rondom het Nuon-perceel tussen Eendrachtstraat 97 en 101

Geluidgezoneerd industrieterrein Brouwersmolen

Op circa 295 meter van de planlocatie is het werkgebied van industrieterrein Brouwersmolen gelegen. De planologische milieuzone van deze bestemming is 300 meter. De feitelijke activiteiten hebben echter een kleinere milieuzone. De mogelijkheid om zwaardere activiteiten te ontplooien wordt al beperkt door woningen die dichterbij het industrieterrein liggen. Gezien dit feit, de grote afstand tot de planlocatie en de ligging van de planlocatie buiten de geluidzone van het industrieterrein, vormt industrieterrein Brouwersmolen geen belemmering voor de gewenste (zorg)woningen op de percelen Hoenderparkweg 6 en 8.

Uitwaartse zonering

De gewenste activiteiten op de planlocatie zijn: zorgwoningen. Deze hebben geen milieuzone.

Conclusie

Uit een quickscan-onderzoek naar het plan om op Hoenderparkweg 6 en 8 zorgwoningen te realiseren zijn vanuit milieuoogpunt geen belemmeringen naar voren gekomen.

5.1.5 Luchtkwaliteit

Dit plan vat onder de regeling "niet in betekende mate bijdragen", en is derhalve vrijgesteld van luchtonderzoek.

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot de grenswaarde. In 2010 zijn de plandrempels gelijk aan de grenswaarden. De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen.

5.1.6 Externe veiligheid - Geen bevi-bedrijven in omgeving

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport er-van. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware onge-vallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmidde-len, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met ge-vaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke or-dening afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen bui-ten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordings-plicht voor het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onaf-gebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een on-geval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een be-paald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatie-waarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikke-ling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Onderzoeksresultaten Besluit externe veiligheid inrichtingen

In de nabijheid van Hoenderparkweg 6 en 8 bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de wer-kingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor de vestiging van een Thomashuis.

Buisleidingen

In de nabijheid van Hoenderparkweg 6 en 8 bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Transport gevaarlijke stoffen

In Apeldoorn zijn geen speciale routes voor gevaarlijke stoffen aangewezen. In verband met de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over spoorlijnen en wegen, is door Royal Haskoning onderzoek uitgevoerd naar het zogenoemde plaatsgebonden risico en het groepsrisico langs transportroutes in Apeldoorn. De resultaten van dit onder-zoek zijn vastgelegd in het rapport Veilig langs transportassen d.d. 14 januari 2003. Daaruit blijkt dat het aspect externe veiligheid voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen zowel over de spoorlijn als over de wegen nabij het plangebied geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen.

5.1.7 Elektromagnetische straling

In de nabijheid van Hoenderparkweg 6 en 8 bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.