direct naar inhoud van 5.2 Waterhuishouding
Plan: Bestemmingsplan Brinkenweg 87 Klarenbeek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1019-vas1

5.2 Waterhuishouding

5.2.1 Algemeen

Dit plan is kleiner dan 10 woningen, valt buiten Keurzones valt, bevat geen HEN-water (water van het hoogste ecologische niveau) inclusief beschermingszone, er zal niet meer dan de landelijke afvoernorm worden geloosd op oppervlaktewater, het plan valt buiten de zoekgebieden voor waterberging, omvat geen landgoed, weg(en), spoorlijn(en), Tracéwet, damwand(en), scherm(en), ontgrondingen enzovoort. Daardoor valt het valt onder de “postzegelplannen”, zoals Waterschap Veluwe die vanuit het oogpunt van de watertoets heeft gedefinieerd. Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het Waterschap Veluwe.

5.2.2 Grondwater

Uit gegevens van peilbuizen in de omgeving blijkt dat het grondwaterpeil in het plangebied indicatief tussen 20 en 160 centimeter onder maaiveld ligt. Er is in en om het plangebied bij de gemeente geen grondwateroverlast bekend.

Het gebied ligt in de door Provincie Gelderland aangegeven grondwater-fluctuatiezone. Als gevolg van klimaatverandering kunnen de grondwaterstanden in de toekomst stijgen (tot 10 cm). Gezien de relatief ondiepe grondwaterstanden kan een mogelijke stijging van de grondwaterstand tot problemen leiden. Bij nieuwbouw dient nagegaan te worden of ophoging van het maaiveld noodzakelijk is om aan de maatgevende droogleggings- en ontwateringseisen te voldoen.

5.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In en in de directe omgeving van het plangebied Is geen oppervlaktewater of waterafhankelijke natuur aanwezig.

5.2.4 Afvoer van hemelwater

Sinds de introductie van het vernieuwde waterbeleid hanteert de gemeente Apeldoorn bij nieuwbouwplannen en herstructureringsprojecten het principe dat er geen hemelwater op de bestaande gemeentelijke riolering mag worden aangesloten. Voor dit project worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

- Al het hemelwater afkomstig van daken en terreinverhardingen (zoals parkeerplaatsen en pleinen) en straten wordt geïnfiltreerd in de bodem of geborgen op het terrein, bijvoorbeeld door toepassing van infiltatiegreppels of wadi’s, ondergrondse infiltatievoorzieningen, waterdoorlatende verhardingen of vijvers.

- Voor hemelwater afkomstig van afvoerende verharde oppervlakken dient een hemelwatervoorziening ter grootte van minimaal 36 mm per afvoerende m2 verharding aangelegd te worden.

Voor de nieuwbouw mag géén gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen die het hemelwater kunnen verontreinigen (DAF-prestaties). Voorbeelden zijn zink en koper.

Voor de bestaande bebouwing uit de nieuwe vestigingsplek geldt dat het hemelwater afkomstig van de (bestaande) daken en verharding zonodig dient te worden afgekoppeld van de gemeentelijke riolering en op eigen terrein geborgen en/of geïnfiltreerd moet worden.

5.2.5 Afvoer van afvalwater

Zowel de nieuwe als bestaande gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing moet worden aangesloten op een bestaande uitlegger (Ø 125 mm), onderdeel van de gemeentelijke drukriolering uit de Brinkenweg.

5.2.6 Watertoets

Geconcludeerd wordt dat wanneer rekening is gehouden met het scheiden van waterstromen (alleen afvalwater afvoeren naar de riolering) en het regenwater niet verontreinigd raakt alvorens het binnen de perceelsgrens ter infiltratie geborgen, een functieverandering geen negatieve gevolgen hoeft te hebben voor de (grond-)waterkwaliteit.