direct naar inhoud van 3.1 Historie
Plan: Bestemmingsplan Brinkenweg 87 Klarenbeek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1019-vas1

3.1 Historie

Al voor het begin van de jaartelling was er sprake van bewoning op de Veluwe. Voornamelijk aan de rand van de Veluwe, in de nabijheid van beken werden kleine nederzettingen gevestigd. Bij de oudste agrarische nederzettingen op de hogere zandgronden vormden het bos en de heide essentiƫle onderdelen. Het landschapsbeeld werd bepaald door openheid met grazige vlakten, heidevelden temidden van boscomplexen. Het moerasachtige gebied in de vlakte van het sneeuwsmeltwater is slecht toegankelijk en blijft lang onbenut. Wel wordt al vroeg een weg aangelegd door het moeras naar de hogere gronden nabij de IJssel.

De oudste bouwlanden lagen overwegend op de overgang van de hoge naar de lage gronden of op de hogere dekzandruggen of -koppen in de lage destijds natte zandgebieden. Door de aanvoering van mest zijn deze gronden geleidelijk opgehoogd.

In de Middeleeuwen werd, naarmate de bevolking toenam, de behoefte aan cultuurland groter. Vooral langs de rand van de hogere gronden op onder andere de daluitspoelingswaaiers kwamen in aanmerking als landbouwgrond. Daarnaast ontstonden hier en daar kleine akkercomplexen bij nieuwe nederzettingen. Als gevolg van een betere bescherming tegen overstromingen en een verbeterde ontwatering werden de lagere dekzandruggen bruikbaar. Deze waren echter vaak zo klein dat ze slechts ruimte boden aan een enkele boerderij en vormde zo een zgn. eenmanses. In de lage gebieden aan de voet van de stuwwal werden de gronden gebruikt als hooilanden.

Vanaf de stuwwal werden enkele wegen aangelegd naar de hogere dekzandruggen in het oosten. Vanuit Apeldoorn, Beekbergen en Loenen zijn deze wegen georiƫnteerd op Klarenbeek, dat op zo'n dekzandrug ontstond. Langs deze wegen vestigden zich vervolgens individueel verschillende bedrijven. Het Beekberger Woud blijft tot aan het begin van de twintigste eeuw als belangrijke eenheid woeste grond bewaard.

Beginnende in de veertiende en vijftiende, maar grotendeels in de zeventiende eeuw, is een groot aantal sprengen en beken gegraven. Via deze sprengen werd het drangwater van de Veluwe opgevangen dat voor het aandrijven van watermolens werd benut. Daarnaast diende het water ook voor het voeden van slotgrachten en waterpartijen van een aantal landgoederen en veel later ook voor de voeding van het Apeldoorns Kanaal.

Door de toenemende bevolkingsgroei en de introductie van kunstmest worden de woeste gronden langzaam ontgonnen. Door verbeterde ontwateringstechnieken wordt het lage natte moerasachtige gebied van het Woud ontgonnen aan het eind van de 19e eeuw. Ten behoeve van de ontwatering werden weteringen aangelegd. De broekontginningen worden gekarakteriseerd door een rechtlijnige verkaveling en kleinschaligheid. Daarnaast wordt de ontsluitingstructuur sterk uitgebreid en er komt veel kavelgrensbeplanting voor. De bebouwing concentreert zich voornamelijk langs de ontginningsassen. De Hooilandontginningen daarentegen hebben een grillig kavelpatroon en zijn beperkter ontsloten. Hier komt de bebouwing zeer verspreid door het gebied voor (zie kaartje "bebouwingspatroon").

In 1870 wordt het Beekbergerwoud ontgonnen. Het bos wordt gekapt en de ontginning wordt gekenmerkt door een slagenverkaveling.

In 1824 werd begonnen met het graven van het Apeldoorns kanaal en in 1829 werd het kanaal ten noorden van Apeldoorn geopend. In 1869 werd ook het zuidelijk deel opgeleverd. Het Apeldoorns kanaal loopt met een bocht om de uitspoelingswaaiers heen. Om het hier gelegen bovenste kanaalpand van voldoende water te voorzien worden o.m. de Vrijenbergse Spreng en de Oosterhuizense Spreng aangelegd. Op den duur werd het kanaal een belangrijke prikkel voor de verdere economische ontwikkeling van het gebied. Het belang van het kanaal nam na de tweede wereldoorlog sterk af en in 1973 werd het afgesloten voor scheepvaartverkeer. Vanaf dat moment is het kanaal nog van belang voor de ontwatering en vormt het door zijn monumentale boombeplanting, karakteristieke oude brugwachterswoningen en oude bruggen een beeldbepalend element en cultuurhistorisch relict in het landschap.

Eind 19e eeuw wordt de spoorlijn van Apeldoorn naar Zutphen aangelegd. Deze twee infrastructuurlijnen met een grotere schaal doorsnijden de onderliggende oude landschapspatronen.

Omstreeks 1930 is alle heide ontgonnen en in gebruik als weiland.

Na 1945 ontstonden als gevolg van de toenemende woningbehoefte compacte dorpskernen. Met name Apeldoorn ontwikkelt zich explosief. In Klarenbeek vinden hoofdzakelijk uitbreidingen plaats ten behoeve van de landbouw. De bevolkingstoename leidt tot een intensivering van het grondgebruik. Kavelgrensbeplantingen verdwijnen als gevolg van schaalvergrotingen in de landbouw. Het kleinschalige landschap verandert in een grootschaliger landschapstype. Het onderscheid tussen de verschillende ontginningen wordt ten gevolge van nivellering kleiner.

Grote ingrepen als de aanleg van de snelwegen A1 en A50 hebben grote gevolgen voor het landschap. Deze infrastructuurlijnen hebben een autonoom karakter en doorsnijden de oude landschapspatronen. Dit geldt eveneens voor de hoogspanningsleidingen die het gebied doorsnijden. Door hun transparante opbouw hebben deze echter geen invloed op de onderliggende landschapspatronen.