direct naar inhoud van 2.2 Streekplan Gelderland 2005
Plan: Bestemmingsplan Brinkenweg 87 Klarenbeek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1019-vas1

2.2 Streekplan Gelderland 2005

Het Streekplan Gelderland 2005 (vastgesteld op 29 juni 2005) is er op gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Naast het generieke beleid, het beleid dat geldt voor de gehele provincie, wordt in het streekplan dan ook uitvoerig ingegaan op het regiospecifieke beleid.

Generiek beleid

Hoofddoel van het streekplanbeleid is het scheppen van ruimte voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak. Om krachtige steden en vitale regio's te bevorderen zijn de belangrijkste uitgangspunten 'bundeling van verstedelijking aan/nabij infrastructuur' en het 'organiseren in stedelijke netwerken'. Bundelingsbeleid is een centraal uitgangspunt voor de wijze waarop in het Gelders ruimtelijk beleid wordt omgegaan met verstedelijking. Bundeling in Gelderland heeft met name de volgende doelen:

  • handhaving/versterking van de economische en culturele functie van de steden;
  • behoud/versterking van het draagvlak voor stedelijke voorzieningen;
  • optimale benutting van infrastructuur, kansen voor openbaar vervoer en fietsgebruik.

Zowel in nieuw als in bestaand bebouwd gebied streeft de provincie naar een duurzaam watersysteem. Het water in de stad wordt met het omringend watersysteem als één geheel beschouwd. Nadelige effecten op de waterhuishouding moeten in beginsel worden voorkomen.

Generiek beleid met betrekking tot niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied.

Het Streekplan biedt op pagina 33 de mogelijkheid voor de vestiging van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied: "Sinds jaar en dag is er niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied aanwezig. De mogelijkheden voor vestiging en uitbreiding zijn in het onderstaande omschreven [...]. Bij het vestigen van niet-agrarische bedrijvigheid gaat de voorkeur uit naar hergebruik van vrijgekomen gebouwen in het buitengebied [...]. Het kan hierbij gaan om bedrijvigheid die nodig is voor of verwant is aan landbouw, bosbouw, natuurbeheer en recreatie. Voorbeelden zijn paardenstalling, stations voor kunstmatige inseminatie en verhuurbedrijven van agrarische machines, collectieve mestvergistingsinrichtingen, maar ook maneges en dierenasiels. Loonbedrijven die voor de land- en bosbouw werken kunnen ook tot deze categorie behoren. Tevens geldt als voorwaarde dat niet-agrarische bedrijfsvestiging op nieuwe bouwlocaties alleen mogelijk is als uit onderzoek blijkt dat de vestiging niet kan worden geaccommodeerd in vrijgekomen agrarische bebouwing of op het lokale bedrijventerrein. De meeste vormen van niet-agrarische bedrijvigheid horen thuis op bedrijventerreinen, en niet in het buitengebied."

Hieruit blijkt dat het streekplan toelaat dat bijvoorbeeld een agrarisch loonbedrijf zich vestigt in het buitengebied - en niet op een bedrijventerrein - indien aan onderstaande voorwaarde 1 wordt voldaan, en toelaat dat een dergelijk bedrijf daarbij gebruik maakt van nieuwbouw indien ook aan voorwaarde 2 wordt voldaan:

1. Er moet worden onderzocht of er ruimte op een lokaal bedrijventerrein beschikbaar is die gebruikt kan worden voor de vestiging van het bedrijf. Pas als dit niet het geval is gebleken, is vestiging op een perceel in agrarisch gebied een optie.

2. Er moet worden onderzocht of er vrijkomende agrarische bebouwing beschikbaar is die gebruikt kan worden voor de vestiging van het bedrijf. Pas als dit niet het geval is gebleken, is nieuwbouw een optie.

Specifiek beleid: functieverandering

In het streekplan is behalve generiek beleid ook specifiek beleid opgenomen. Een deel van het specifieke beleid is gewijd aan het onderwerp functieverandering in het buitengebied. Op pagina 99 van het streekplan staat: "De regio Stedendriehoek wordt de mogelijkheid geboden om in regionaal verband een alternatief beleid te ontwikkelen voor functieverandering van gebouwen in het buitengebied [...]." De regio heeft dit beleid inderdaad ontwikkeld. Op 15 juli 2008 is het beleidsdocument "Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies. Beleidskader functieverandering van vrijkomende agrarische gebouwen" vastgesteld door de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Lochem, Voorst en Zutphen.

In dit beleidsdocument zijn de volgende voorwaarden gegeven voor functieverandering in het algemeen en voor - onder meer - het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing voor ‘werken’ en 'wonen en werken':

- Algemene voorwaarden voor functieverandering:

Functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen die gelegen zijn in het buitengebied. De regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (met een agrarische bestemming), maar ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen waarvan de bestemming reeds is omgezet in bijvoorbeeld een woonbestemming. Overtollige gebouwen worden gesloopt met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen. Een bepaald percentage van het gesloopte oppervlak mag worden teruggebouwd. Als het daarbij om nieuw te bouwen woningen gaat, geldt een maximum inhoudsmaat van 600 m3voor het hoofdgebouw en 300 m3 of 75 m2 voor de bijgebouwen. De functieverandering van gebouwen wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak. Met beeldkwaliteitsplannen wordt door de gemeenten de verschijningsvorm van de functieveranderingen afgestemd op de omgeving. In alle gevallen dient functieverandering gepaard te gaan met - naast sloop - een vorm van verevening 'van rood naar groen': een bijdrage aan de kwaliteit van de omgeving. Voor monumenten en karakteristieke bebouwing wordt altijd maatwerk geleverd.

- Specifieke voorwaarden voor functieverandering naar ‘werken’ en 'wonen en werken':

A. Met uitzondering van de landbouwontwikkelingsgebieden is hergebruik van vrijkomende gebouwen voor 'werken' (niet-agrarische functies) toegestaan tot 500 m2 vloeroppervlakte per locatie (overeenkomstig het streekplan) of tot 750 m2 per locatie, afhankelijk van bepaalde zones, die staan aangeduid op de bij het functieveranderingsbeleid behorende kaart “Zonering functieverandering wonen“. Er gelden verschillende sloop/nieuwbouw-regimes voor de twee genoemde zones.

B. Bij functieverandering naar ‘werken’ geldt géén ondergrens voor de hoeveelheid vrijkomende bebouwing (dus géén hoeveelheid vrijkomende bebouwing als toetredingsvereiste tot de beleidsmaatregel). Bij functieverandering naar ‘wonen en werken’ geldt een ondergrens van 350 m2 in te brengen vrijkomende bebouwing..

C. Alleen bedrijvigheid van de milieucategorieën 1 tot en met 3 is toegestaan, categorie 3 voorzover de bedrijvigheid qua milieubelasting vergelijkbaar is met categorie 1en 2.

D. In het groenblauwe raamwerk van het streekplan Gelderland staat functieverandering naar gebiedsgebonden werkfuncties voorop (bijvoorbeeld natuurbeheer en extensieve recreatie).

E. Bij combinaties van wonen en werken krijgt de woning altijd de bestemming bedrijfswoning.

Kader voor de beoordeling en regeling van bedrijfsverplaatsingen

Het kader voor de beoordeling en regeling van de verplaatsing van het Loonbedrijf Gert van den Brink naar de locatie Brinkenweg 87 wordt gevormd door het (hierboven aangehaalde) generieke streekplanbeleid met betrekking tot niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Het kader wordt dus niet gevormd door het - specifiekere - functieveranderingsbeleid. De reden hiervoor is dat het belang van de 'uitplaatsing' van bedrijven geen plek heeft in het functieveranderingsbeleid. Het belang van het uit een dicht bebouwde omgeving plaatsen van een bepaald bedrijf (dat vervolgens terechtkomt op een locatie in het buitengebied, waar dan 'functieverandering' optreedt) is niet in beeld bij het functieveranderingsbeleid.

De uitplaatsing van een bepaald bedrijf kan vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zo'n zwaarwegend belang vormen dat toepassing van het generieke beleidskader voor niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied op z'n plaats kan worden geacht, in plaats van het specifiekere functieveranderingsbeleid.

(Toepassing van het functieveranderinsgbeleid op de bedrijfsverplaatsing van Loonbedrijf Gert van den Brink zou hebben geresulteerd in onoverkomenlijke belemmeringen voor het bedrijf om zich te vestigen op de Brinkenweg 87. Er zou dan te weinig nieuwe bebouwing kunnen worden gerealiseerd om het bedrijf te faciliteren op deze plek.)