direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan De Maten - winkelcentrum Eglantier
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1016-ont1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (verder: Bro) is de gemeente bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om onderzoek te doen naar de bestaande toestand van het plangebied en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling daarvan. Bij dit onderzoek moet tevens de uitvoerbaarheid van het plan worden betrokken. Het beoordelen van de milieuaspecten vormt een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht van artikel 9 Bro dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. In de Handreiking bestemmingsplannen (Van streekplan naar bestemmingsplan, december 2002) hebben gedeputeerde staten aangegeven in welke gevallen bodemonderzoek vereist is en aan welke eisen het onderzoek moet voldoen. Eén van de vereisten is dat bodemonderzoeken niet meer dan 5 jaar oud mogen zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Bouwstoffenbesluit. In het Bouwstoffenbesluit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in een bodemkwaliteitskaart en een bodembeheersplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Door het adviesbureau Oranjewoud BV zijn diverse onderzoeken uitgevoerd in het ontwikkelingsgebied de Eglantier, namelijk:

  • Bodem- en wegmateriaalonderzoek plangebied Eglantier/Gildelaan te Apeldoorn, kenmerk 164628, d.d. 15 augustus 2006 (zie bijlage 6);
  • Verkennend bodemonderzoek strook openbare weg plangebied Eglantier/Gildelaan te Apeldoorn, kenmerk 164628, d.d. 9 november 2006 (zie bijlage 7);
  • Aanvullend bodemonderzoek Eglantier te Apeldoorn locatie B2, kenmerk 164628, d.d. 10 november 2006 (zie bijlage 8);
  • Aanvullend bodemonderzoek Eglantier te Apeldoorn locaties E3 en E5 (parkeerplaats / openbaar groen & weg), kenmerk 164628, d.d. 10 november 2006 (zie bijlage 9).

In het plangebied is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707. Naar aanleiding van deze resultaten is op twee deellocaties een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond maximaal licht verontreinigd is met zink, PAK en minerale olie. In de ondergrond is maximaal een lichte verontreiniging met PAK gemeten. Het grondwater is licht verontreinigd met arseen, cadmium, chroom, nikkel, naftaleen en xylenen.

Ter plaatse van cluster D1 en D2 (parkeerplaats, openbaar groen en openbare weg) is in de bodem een zeer lichte verontreiniging met asbest aangetoond. In het overige deel van het plangebied is geen asbest geconstateerd.

De gemeten gehalten geven verder geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Op grond van de onderzoeksresultaten zijn er geen milieuhygiënische bezwaren voor het in gebruik nemen van de locatie voor het beoogde doel.

5.1.3 Milieuzonering

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 (hierna: BMZ 2009). Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende functies (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en voor de aan te houden afstand.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk  
1   10 m  
2   30 m  
3.1   50 m  
3.2   100 m  
4.1   200 m  
4.2   300 m  
5.1   500 m  
5.2   700 m  
5.3   1.000 m  
6   1.500 m  

De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Als bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor bedrijfsactiviteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden uit de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype "rustige woonwijk". Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het is daarmee een van de gevoeligste omgevingstypen. Voorbeelden van andere omgevingstypen zijn een gemengd gebied en een (hiervoor aangewezen) gebied met functiemenging. Als een gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustige woonwijk, kan dit aanleiding zijn om gemotiveerd een kleinere richtafstand aan te houden, indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt. Voor één of meer milieuaspecten kan dan een afstandsstap lager worden aangehouden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering hierop vormt in principe de afstand voor het aspect gevaar.

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocaties en woningen in een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieugevoelige en milieubelastende functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stad- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd. In deze gebieden worden geen richtafstanden gehanteerd, maar wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van het gewenste woon- en leefklimaat.

Binnen de Gemeente Apeldoorn zijn afspraken gemaakt over het toepassen van de systematiek omtrent functiemenging. De volgende basisafspraken zijn gemaakt:

  • De randvoorwaarden uit BMZ 2009 voor activiteiten in gebieden met functiemenging worden wel overgenomen.
  • De toepassing bij functiemenging van de categorieën A, B en C wordt niet overgenomen. Het gebruik van milieucategorieën 1 t/m 6 zal worden gehandhaafd.
  • Ten aanzien van de toegestane activiteiten in gebieden met functiemenging zijn in Apeldoorn, in afwijking van BMZ 2009, in principe activiteiten met een milieucategorie van maximaal 2 toegestaan (i.p.v. 3.1 voor geluid) en maximaal milieucategorie 1 voor het aspect gevaar.


Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden dus de volgende randvoorwaarden:

  • het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid;
  • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;
  • de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig;
  • activiteiten met een grote verkeersaantrekkende werking beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.


Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave "Bedrijven en milieuzonering", kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Bij het onderzoek wordt zowel de milieu-invloed van de bestaande situatie meegenomen als ook de milieu-invloed van de functies die op basis van het bestemmingsplan zijn toegestaan.


Onderzoeksresultaten

Het toe te passen omgevingstype voor het plangebied is 'gebied met functiemenging', aangezien dit omgevingstype toegepast mag worden voor o.a. winkelcentra. In de bedrijvenlijst bij de bestemmingsplanregels (bijlage 1) zijn voor het winkelcentrum De Eglantier de relevante activiteiten weergegeven. Alle huidige en gewenste activiteiten kunnen worden toegepast in een gebied met functiemenging.

De huidige en gewenste activiteiten in het reeds aanwezige winkelcentrum vallen binnen de bestemming "Gemengde doeleinden" van het vigerende bestemmingsplan "De Maten". Deze bestemming komt overeen met de bestemming 'gemengd' in onderliggend plan.

Boven de supermarkt zullen ook woningen gerealiseerd worden, wat op basis van de bestemming "gemengd" ook is toegestaan. Woningen boven de nieuwe supermarkt zijn echter in principe vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet gewenst. De nieuwe supermarkt voldoet namelijk niet aan de randvoorwaarden van functiemenging, met name ten aanzien van kleinschaligheid en laad- en loswerkzaamheden. Volgens de huidige plannen zal het laden/lossen op de nieuwe locatie van de Albert Heijn in een overdekte ruimte plaatsvinden, wat het akoestisch niveau ten goede zal komen. Het geluidsniveau dient te voldoen aan de normen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit.

De nieuwe parkeergarage beschikt over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur en voldoet daarmee wel aan de randvoorwaarden voor functiemenging.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is alleen gelegen binnen de invloedsfeer van verkeerswegen. Derhalve worden de Gildenlaan en de Eglantierlaan beschouwd.


Wegverkeerslawaai: geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen

Algemeen

In het algemeen zal men bij het projecteren van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen nabij wegen een akoestisch onderzoek in moeten stellen naar de te verwachten geluidsbelasting op de gevel van deze nieuwe bestemmingen (artikel 76 Wgh) Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur;


De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

De relevante wegen zijn de Gildenlaan en de Eglantierlaan. Voor nieuwe situaties (nieuwe woningen) en fysieke wijzigingen aan de Gildenlaan is het verplicht om te toetsen aan de Wet geluidhinder. De fysieke wijzigingen aan de Eglantierlaan vallen formeel buiten het kader van de Wet geluidhinder aangezien het gaat om een niet gezoneerde weg en een vermindering van het aantal voertuigen.

Voor de maatgevende bestaande geluidsgevoelige bestemmingen aan het traject van de Gildenlaan tussen de Rademakersdonk en de Marskramersdonk en die binnen de wettelijke geluidszone van de Gildenlaan zijn gelegen, moet een reconstructieonderzoek uitgevoerd worden. Hiervoor moeten de geluidbelastingen voor de jaren 2009 (1 jaar voor realisatie zonder plan) en 2020 (10 jaar na realisatie met plan) met elkaar worden vergeleken.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten ook de totale geluidbelastingen (cumulatief) worden beschouwd voor de trajecten van de Gildenlaan en de woningen op grotere afstand van het plan en inclusief de Eglantierlaan en de huidige en toekomstige toeritten naar de parkeergarage.

Voor de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de wettelijke geluidszone van de Gildenlaan zijn gelegen, is 15 oktober 2008 reeds een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelastingen in 2018 (inclusief plan). Op basis van dit onderzoek zijn in 2009 hogere grenswaarden verleend voor meerdere nieuwe woningen in het plan. Door middel van een onderzoek moeten de geluidbelastingen opnieuw worden bepaald voor 2020 en moet worden nagegaan in hoeverre de in 2009 afgegeven ontheffingswaarden toereikend zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten ook de geluidbelastingen (opnieuw) worden bepaald op de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs de Eglantierlaan.

Normstelling verkeerswegen bij reconstructie

Voor geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone van een te wijzigen weg moet bij een wijziging van de weg onderzocht worden of er sprake is van "reconstructie"van die weg zoals dat is gedefinieerd in de Wgh. Er is sprake van een reconstructie indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de weg in het toekomstige maatgevende jaar zonder maatregelen, met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde. Voor het toekomstige maatgevende jaar kan het tiende jaar na de wijziging worden aangehouden, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat het maatgevende jaar eerder is (bijvoorbeeld door de aanleg van een rondweg binnen deze 10 jaar waardoor de betreffende weg wordt ontlast).

De voorkeursgrenswaarde bij een reconstructie is bepaald in artikel 100 van de Wgh. Het betreft de laagste waarde van de geluidbelasting één jaar voor de wijziging (2009) en de eventueel eerder vastgestelde hogere waarde. Als er geen hogere waarde is vastgesteld geldt de heersende waarde. Als de heersende waarde lager is dan 48 dB dan geldt 48 dB als voorkeursgrenswaarde.

Voor de bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen aan de Gildenlaan is geen hogere waarde vastgesteld en de heersende waarde bedraagt meer dan 48 dB, zodat de heersende geluidbelasting in 2009 geldt als voorkeursgrenswaarde.

Indien sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder moeten geluidreducerende maatregelen onderzocht worden. Het doel daarbij is om de toekomstige geluidbelasting zoveel mogelijk terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Daarbij wordt het eerst gekeken naar maatregelen bij de bron (stiller wegdek) en vervolgens naar maatregelen in de overdracht (geluidsschermen of -wallen).

In situaties waarin de toepassing van geluidsbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige landschappelijke of financiële aard is ontheffing mogelijk mits de toename maximaal 5 dB bedraagt. Verder moet worden voldaan aan de maximaal toelaatbare grenswaarde. Voor woningen in binnenstedelijk gebied geldt 63 dB incl. aftrek ex art. 110g Wgh bij een geluidbelasting in 2009 van 53 dB of minder en 68 dB bij een geluidbelasting in 2009 van meer dan 53 dB.


Normstelling nieuwe geluidgevoelige bestemmingen

Voor de nieuwe situaties geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB incl. aftrek ex art. 110g Wgh. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moeten geluidreducerende maatregelen onderzocht worden. Het doel daarbij is om de toekomstige geluidbelasting zoveel mogelijk terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Daarbij wordt het eerst gekeken naar maatregelen bij de bron (stiller wegdek) en vervolgens naar maatregelen in de overdracht (geluidsschermen of -wallen).


In situaties waarin de toepassing van geluidsbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige landschappelijke of financiële aard is ontheffing mogelijk mits er wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare grenswaarde. Voor nieuwe woningen in binnenstedelijk gebied geldt als maximale toelaatbare geluidbelasting 63 dB incl. aftrek ex art. 110g Wgh.


Onderzoeksresultaten

In de rapportage "Onderzoek wegverkeerslawaai winkelcentrum Eglantier" d.d. 15 maart 2010, opgesteld door gemeente Apeldoorn is de geluidsbelasting ten gevolge van de Gildenlaan en de Eglantierlaan berekend. Uit het onderzoek blijkt dat bij toetsing aan de Wet geluidhinder:

  • de grootste toename vanwege de fysieke aanpassingen aan de Gildenlaan 1 dB bedraagt; hiermee wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geluidhinder; de fysieke aanpassing leidt niet tot een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder;
  • de geluidbelastingen bij de nieuwe woningen langs de Gildenlaan vergelijkbaar zijn met of lager zijn dan de in 2009 verleende hogere grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder; er hoeven geen nieuwe hogere grenswaarden te worden aangevraagd.


In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden opgemerkt dat:

  • het plan leidt tot een toename van maximaal 2 dB ten zuiden van de Marskramersdonk; Daarentegen leidt het plan ook tot een afname van maximaal 5 dB bij de bestaande woningen langs de Eglantierlaan;
  • de geluidbelasting in 2020 bij de nieuwe woningen aan de Gildenlaan en de Eglantierlaan cumulatief respectievelijk 61 en 55 dB zal bedragen; hier zal in de uitvoering van de gevels nadrukkelijk rekening mee moeten worden gehouden.

Het betreffende onderzoek is als bijlage 4.

5.1.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

In de Wet milieubeheer zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De belangrijkste stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Apeldoorn al jaren voldaan. Dit blijkt uit de jaarlijkse monitoringsrapporten over luchtkwaliteit.

Bij ontwikkelingen in het kader van, onder andere, de Wet op de ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat die ontwikkeling "niet in betekenende mate bijdraagt" aan de luchtverontreiniging. Voor activiteiten die slechts een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit is geen onderzoek nodig. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen", zijn deze activiteiten vastgelegd.

Het betreft:

  • woningbouwprojecten met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwprojecten met maximaal 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van maximaal 300.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is er voor het onderdeel luchtkwaliteit geen bezwaar vanuit de Wet milieubeheer. Is de bijdrage wel in betekenende mate, maar wordt er geen grenswaarde overschreden, is er evenmin een bezwaar.

Indien de bijdrage wel in betekende mate is, én de grenswaarde wordt overschreden, kan de ontwikkeling eventueel door projectsaldering of opname in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit worden gerealiseerd.


Onderzoeksresultaten

In de rapportage "Onderzoek luchtkwaliteit bestemmingsplan De Maten winkelcentrum Eglantier" d.d. maart 2010, opgesteld door de gemeente Apeldoorn is het effect van de planontwikkeling op de luchtkwaliteit bepaald. Uit het onderzoek blijkt dat:

  • de jaargemiddelde concentraties voor 2010, 2015 en 2020 voor de stoffen stikstofdioxide, fijn stof, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen, op de geldende afstand van de weg, voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Ook in de tussenliggende jaren zal worden voldaan;
  • langs de wegen komen geen overschrijdingen voor van de (24)uurgemiddelde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwaveldioxide;
  • langs de wegen wordt de 24uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 voor fijn stof (PM10) in geen enkel jaar meer dan de toegestane 35 maal overschreden;
  • aan de eisen van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) wordt voldaan.

Het betreffende onderzoek is als bijlage 5.

5.1.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.


Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.


Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden in principe nog de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen' en de notitie van RIVM 'Risicoafstanden voor buisleidingen van brandbare K1,K2 en K3 vloeistoffen'. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel de AMvB Buisleidingen. De minister van VROM heeft geadviseerd om ten aanzien van hogedrukaardgasleidingen al uit te gaan van het nieuwe toetsingskader van deze AMvB, in plaats van de 'circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen'.


Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.


Onderzoeksresultaten

Bedrijven

In de nabijheid van het winkelcentrum De Eglantier bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi.


Buisleidingen

In de nabijheid van het winkelcentrum De Eglantier bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Transport gevaarlijke stoffen

In de directe omgeving van het winkelcentrum De Eglantier is geen weg gelegen waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een reguliere spoorlijn is niet in de directe omgeving van de planlocatie gelegen.

5.1.7 Elektromagnetische straling

Algemeen

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen een de 0,4 microTesla (µT) magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen (0-15 jaar). Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT - zone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen.

Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.


Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het winkelcentrum De Eglantier bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.