direct naar inhoud van 4.2 Milieu
Plan: Bestemmingsplan Klarenbeek
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1008-ont1

4.2 Milieu

4.2.1 Geluidhinder spoor- en wegverkeer

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh) in acht te worden genomen. Dit betekent onder meer dat, wanneer in het bestemmingsplan gronden worden bestemd voor nieuwbouw, moet worden nagegaan of deze gronden vallen binnen een zogenaamde geluidszone van een weg. Uitgangspunt is dat zich langs elke weg een geluidszone bevindt. Er is een aantal uitzonderingen (artikel 74 Wgh) waarin geen geluidszone geldt. Dit geldt voor wegen:

  • die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt;
  • waarvan op basis van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 m uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 50 dB(A) of minder bedraagt.

SITUATIE KLARENBEEK

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat voor de volgende in of nabij het plangebied gelegen (spoor)wegen een geluidszone geldt van:

  • 1. Hoofdweg/Klarenbeekseweg (4) : 100 m;
  • 2. Spoorbaan Apeldoorn-Zutphen : 100 m.

De zone rondom de spoorbaan is niet relevant, aangezien deze niet reikt tot aan het plangebied. Wel relevant is de geluidszone rondom de Hoofdweg/Klarenbeekseweg. Binnen deze zone zal akoestisch onderzoek dienen plaats te vinden als een bestemmingsplan wordt herzien en de bouw van woningen binnen de zone of de reconstructie van de weg mogelijk wordt gemaakt. Dit is in onderliggend bestemmingsplan het geval. Op kaart 4.1 staat de wettelijk vastgestelde geluidzone weergegeven.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

(4) - Deze weg ligt in de bebouwde kom en darmee in het stedelijk gebied (definitie Wgh). Het is een weg met twee rijbanen en een verkeersintensiteit die lager is dan 5.000 motorvoertuigen per etmaal (3.230; meting maart 2003).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1008-ont1_0013.jpg"

Woningbouwlocaties dorpsvisie

In het plan zijn een aantal nieuwe ontwikkelingen opgenomen die nog onvoldoende concreet zijn om bij recht op te nemen. Hiervoor zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Het gaat om de locaties: woningbouw sportvelden, nieuwe sportvelden, Hessenallee en noordzijde supermarkt. Het is voor deze locaties ook in het kader van de wijzigingsbevoegdheid noodzakelijk om met een geluidonderzoek de haalbaarheid van de ontwikkeling te toetsen.

Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in september 2009 (Schoonderbeek en Partners Advies, 28-09-2009, 09420 R01). In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen op de nieuwe geluidsgevoelige gebouwen niet relevant zal zijn. Deze wegen zijn niet nader onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting bij de locatie 'woningbouw sportvelden' ten gevolge van de Hoofdweg en binnen de locatie 'nieuwe sportvelden' ten gevolge van de Elsbosweg hoger kan zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager zal zijn dan de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting. In het geval op de mogelijke eerstelijn, geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, is het nodig hogere waarden vast te stellen. Eventuele maatregelen om op deze locaties de geluidbelasting te reduceren zijn niet reëel.

Woningbouwlocatie Hessenallee 9-23

De geluidsbelasting van het wegverkeer op de 18 nieuwe woningen aan de Hessenallee is onderzocht (Adviesburo Van der Boom, 24-09-2009, nr. 09-226). Dit onderzoek is toegevoegd aan het plan als bijlage.
Geconcludeerd wordt dat de woningbouwlocatie ligt binnen de wettelijk vastgestelde geluidzone van de Hessenallee en de Klarenbeekseweg. De geluidsbelasting van de Klarenbeekseweg ligt ver onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting vanwege de Hessenallee ligt op de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden gevraagd. Aanvullende geluidwerende voorzieningen zijn niet nodig.

Achter de Molen 6-10

Het geluidsonderzoek (Schoonderbeek en Partners Advies, 28-09-2009, 09420 R01) heeft voor deze locatie uitgewezen dat er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt.

Hoofdweg tussen 60-62

Genoemd onderzoek (Schoonderbeek en Partners Advies, 28-09-2009, 09420 R01) wijst ook voor deze locatie uit dat de geluidsbelasting hoger kan zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager zal zijn dan de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting. In het geval op de mogelijke eerstelijn, geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, is het nodig hogere waarden vast te stellen. Eventuele maatregelen om op deze locaties de geluidbelasting te reduceren zijn niet reëel.

Nieuwbouwlocatie naast Klarenbeekseweg 106

Voor deze inbreidingslocatie is door Munsterhuis Geluidsadvies onderzoek gepleegd (28-10-2009, 09.0095). Geconcludeerd wordt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Klarenbeekseweg wordt overschreden. Hiervoor dient een hogere grenswaarde procedure gevolgd te worden voor maximaal 57 dB. Aanvullend onderzoek is nodig om de geluidwerende voorzieningen te bepalen die noodzakelijk zijn om aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB in de verblijfsgebieden te kunnen voldoen.

4.2.2 Lucht

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).

NSL/NIBM

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden.
Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

NIBM-TOOL

Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de nibm-tool 3-8-2009 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

SITUATIE KLARENBEEK

De nieuwe ontwikkelingen

Voor de locaties waarvoor een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen kan het luchtkwaliteitsonderzoek worden uitgevoerd op het moment dat het wijzigingsplan wordt opgesteld. Voor de wijzigingsbevoegdheden waarin de bouw van 1 of 4 woningen is opgenomen, is sprake van zodanig kleinschalige ingrepen dat hier geen gevolgen voor de luchtkwaliteit te verwachten is.

Woningbouwlocatie Hessenallee 9-23

Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van 18 woningen. Op basis van de CROW-publicaties nr. 256 'Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden' (oktober 2007) mag worden uitgegaan van een ritproductie van zeven ritten per woning. Dit betekent een ritproductie vanwege het bestemmingsplan van ongeveer 126 ritten per etmaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1008-ont1_0014.png"

NIBM-tool, 03-08-2009

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

4.2.3 Geur

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. De Wgv is vanaf deze datum het exclusieve toetsingskader voor het beoordelen van geur afkomstig van veehouderijen en vervangt alle eerdere geurwet- en regelgeving voor veehouderijen.

De Wgv kent standaardnormen, op basis hiervan kunnen geurcontouren worden gemaakt. Als daarbinnen beoogde woningbouwlocaties niet kunnen worden gerealiseerd, biedt de Wgv de mogelijkheid om afwijkende normen vast te stellen.

Op basis van een quickscan geur is gebleken dat voor de onderzochte Ontwikkelings- en ActualiseringsPlannen (AOP-kernen) binnen Voorst zowel voor de OAP nieuwbouwlocaties in Wilp-Achterhoek en De Vecht geen woningbouw mogelijk is zonder geurverordening. Mede op basis van geurvisies heeft de raad daarom in het kader van de Wgv de Geurverordening 2008 en de geurvisies Wilp-Achterhoek en De Vecht vastgesteld. In de toekomst moet blijken of voor andere ontwikkellocaties voor woningbouw of bedrijfsterreinen eveneens een geurverordening noodzakelijk is.

Het aantal activiteiten dat geuroverlast veroorzaakt, is binnen het dorp beperkt. Het gaat dan met name om de restaurants. Rondom deze activiteiten geldt een geurzone van 10 m.

4.2.4 Milieuzonering

HINDERCIRKELS

Klarenbeek is een dorp waar zowel wordt gewoond als gewerkt. Het voorkomen van beide functies naast elkaar kan in enkele gevallen problemen geven. Daarom wordt voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van bedrijvigheid in de nabijheid van woningen gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (geheel herziene uitgave 2009). In deze uitgave is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven. Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de richtafstanden tussen bedrijfstypen en het omgevingstype waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplannen.
Er worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar hiermee is een 'rustig buitengebied'. Met name de planmatige uitbreidingen van Klarenbeek vallen binnen de typering 'rustige woonwijk'.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit is in Klarenbeek vooral aan te treffen langs de linten. De bebouwing langs de Klarenbeekseweg en de Hoofdweg wordt dan ook formeel aangewezen als 'gemengd gebied' in het kader van de milieuzonering (zie ook onderstaande kaart voor de locatie van het 'gemengd gebied').

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1008-ont1_0015.jpg"

De richtafstanden uit de VNG-publicatie ten opzichte van een rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. Het gaat bij de omgevingstypen bij de verschillende hindercategorieën om de afstanden die in de navolgende tabel worden vermeld.

Categorie   Richtafstand (in meters) tot omgevingstype  
  Rustige woonwijk   Gemengd gebied  
1   10   0  
2   30   10  
3.1   50   30  
3.2   100   50  
4.1   200   100  
4.2   300   200  

Milieuzonering is erop gericht een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten. Meestal gebeurt dit door de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in een plangebied via de planregels te koppelen aan een zogenaamde Staat van bedrijven.
Een Staat van bedrijven kan bestaan uit een selectie uit de genoemde VNG-bedrijvenlijst, die is af gestemd op de specifieke mogelijkheden en op het gewenste doel en de beoogde kwaliteit van een bepaald bedrijventerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1008-ont1_0016.jpg"

4.2.5 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Situatie Klarenbeek

Nieuwe ontwikkelingen

Voor de locaties waarvoor een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen dient nog een bodemonderzoek plaats te vinden. Dit wordt uitgevoerd op het moment dat het wijzigingsplan wordt opgesteld.

Nieuwbouwlocatie Hesselallee 9-23

Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (NEN 5725:2009) door Econsultancy (18-09-2009, rapportnummer: 09075708). Geconcludeerd wordt dat de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er geen reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging ter plaatse van de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

4.2.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich (kunnen) meebrengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als lpg-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken, verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wm en de Wro afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

BELEIDSVISIE EXTERNE VEILIGHEID APELDOORN

De gemeenteraad van Apeldoorn heeft de Beleidsvisie externe veiligheid Apeldoorn vastgesteld op 10 juni 2008. Hierin zijn de uitgangspunten ten aanzien van het externe veiligheidsbeleid vastgelegd.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Apeldoorn aanwezig zijn en hoe met deze toekomstige risico's dient te worden omgegaan.
De gemeente Apeldoorn kent voor wat betreft het Besluit externe veiligheid inrichtingen 37 risicobronnen. Er is één knelpunt waarbij binnen de contour van het plaatsgebonden risico een kwetsbaar object is gelegen. Verder heeft Apeldoorn een beperkt aantal knelpunten met de personendichtheid in het invloedsgebied (groepsrisico) in de huidige situatie alsmede in de toekomstige (geprojecteerde) situatie.
Ten aanzien van transport over de weg, het spoor en de ondergrondse buisleidingen bestaan geen risicovolle aandachts- of knelpunten. Routering van gevaarlijke stoffen is in Apeldoorn niet nodig.

Insteek van beleid is dat het plaatsgebonden risico in bestaande situaties moet voldoen aan de wettelijke grenswaarden. Een toename van de personendichtheid is mogelijk tot één keer de oriëntatiewaarde.

Ten aanzien van nieuwe situaties is de vestiging van risicobronnen in woon- en gemengde gebieden niet toegestaan. De realisering van kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van bestaande Externe Veiligheidsbron is alleen toegestaan voor beperkt kwetsbare objecten in de plaatsgebonden risico 10-6-contour, mits gemotiveerd. Ook een toename tot één keer de oriëntatiewaarde is toegestaan, mits verantwoord.

SITUATIE KLARENBEEK

In de Beleidsvisie valt Klarenbeek grotendeels onder 'woongebied'. Alleen de buurt de Til heeft de aanduiding 'gemengd gebied' meegekregen. In het geval van nieuwe ontwikkelingen in het dorp dient het groepsrisico te worden berekend en verantwoord. Er zijn geen risicobronnen aanwezig in het dorp, wel kan sprake zijn van transporten van gevaarlijke stoffen over de provinciale weg.