direct naar inhoud van Artikel 21 Algemene aanduidingsregels
Plan: Bestemmingsplan Klarenbeek
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1008-ont1

Artikel 21 Algemene aanduidingsregels

21.1 Molenbiotoop

Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, de volgende regels:

  • a. Binnen de zone van 100 m gemeten vanaf de molen mogen geen bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van meer dan 6 m.
  • b. Binnen de zone gemeten van 100 m vanaf de molen tot een afstand van 500 m gemeten vanaf de molen, mogen geen hogere gebouwen worden gebouwd dan door middel van onderstaande formule wordt bepaald:

H=X/n + c·z

Waarin:

H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen)

X = de afstand in meters vanaf het gebouw tot de wieken van de molen

n = 50 (coëfficiënt voor het stedelijk gebied)

c = 0,2 (constante in verband met een windreductie van 5%)

z = askophoogte = 20 m.

21.2 Monumentale boom
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'bijzondere boom' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van bijzondere bomen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'bijzondere boom' dient de afstand van bebouwing tot het hart van de als zodanig aangewezen boom ten minste 10 m te bedragen.
  • c. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde onder b ten behoeve van het verkleinen van de genoemde afstand tot ten minste 5 m uit het hart van de boom, mits dit geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom. Voor een besluit tot ontheffing geldt de in artikel 24 lid 24.1 vermelde voorbereidingsprocedure.
  • d. Het is verboden om zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende vergunning binnen een afstand van 5 meter uit het hart van een bijzondere boom:
    • 1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;
    • 2. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;
    • 3. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;
    • 4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;
    • 5. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.
  • e. Het onder d opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
    • 1. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • 2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
    • 3. als bedoeld onder d.5, voor zover de artikelen 4.5.1 tot en met 4.5.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening daarop van toepassing zijn.
  • f. Werken en werkzaamheden als bedoeld in dit lid zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de monumentale boom niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die boom niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.