direct naar inhoud van 6.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Radio Kootwijk
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1006-von1

6.1 Milieuaspecten

6.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (verder: Bro) is de gemeente bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om onderzoek te doen naar de bestaande toestand van het plangebied en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling daarvan. Bij dit onderzoek moet tevens de uitvoerbaarheid van het plan worden betrokken. Het beoordelen van de milieuaspecten vormt een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Voor dit hoofdstuk is met name gebruik gemaakt van het PlanMER (Tauw, december 2009) die voor de herontwikkeling van Radio Kootwijk is opgesteld.

6.1.2 Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

In 1999 is een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het aardnet op de bodemkwaliteit. Het uitgevoerde onderzoek was gericht op de mogelijke bodemverontreiniging als gevolg van een koperen aardnet dat in circa 1920 op de locatie in de bodem is aangebracht. De aangetroffen concentraties koper zijn getoetst aan de streef- en interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. Hieruit blijkt dat er geen aanleiding is tot het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek op het voorkomen van koper in de bodem ter plaatse van het aardnet.

Gezien het tijdsaspect van de aanwezigheid van de koperen leidingen, de daarbij gemeten gehalten en de in de afgelopen jaren gevormde beschermende oxide/carbonaatlaag, is de verwachting dat de uitloging naar de bodem verwaarloosbaar, dan wel nihil is. Verdere belasting van de bodem, als gevolg van het koperen aardnet, is derhalve niet noemenswaardig. Niet uitgesloten is dat bij verwijdering meer schade aan het milieu zal worden toegebracht, dan in het geval van het behoud van het aardnet.

Gezien de resultaten van het onderzoek is er, voor zowel nu als in de toekomst, geen aanleiding tot het eventueel saneren van de bodem als gevolg van verontreiniging van het aardnet. Uit milieuhygiënische oogpunt bestaat vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak tot het verwijderen van het aardnet.

Daarnaast zijn op diverse overige locaties bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken geven geen aanleiding voor beperkingen aan het gewenste hergebruik van Radio Kootwijk.

Op het terrein bevindt zich in de zuidwesthoek een stortterrein met vervuilde grond afkomstig uit verspreide storten op het complex. De herstort heeft in de jaren '90 plaatsgevonden onder deskundige milieuhygiënische begeleiding, onderzoek en rapportage. Dit terrein wordt jaarlijks gemonitoord.

Ten behoeve van toekomstige bouw- en aanlegwerkzaamheden zal te zijner tijd een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

6.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand.

Ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, gelden deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. Functies die gepaard gaan met milieuaspecten als stof of lawaai zijn niet mogelijk.

Voor de beoogde functies die mogelijk gemaakt worden in het voorontwerpbestemmingsplan geldt dat binnen de betreffende richtafstanden zich geen milieugevoelige objecten bevinden.

6.1.4 Geluidhinder

De geluidssituatie voor de woningen langs een aantal wegen is onderzocht in relatie met de beoogde situatie. De conclusies staan weergegeven in figuur 6.1.

Weg   Autonome Situatie (in dB)   Plansituatie (in dB)  
Alverschotenseweg   55   56  
Hoog Buurloseweg   48   50  
Turfbergweg   51   55  
Radioweg   45   48  

Figuur 6.1: Verkeersgeluidniveaus (bron: PlanMER Radio Kootwijk, december 2009)

Wettelijk gezien is het niet verplicht om maatregelen te treffen.

In de gebouwen waar activiteiten gaan plaatsvinden, kan er sprake zijn van een geluidemissie naar de omgeving. Afhankelijk van de aard van de omgeving is een geluidemissie van 40 tot 50 dB(A)-etmaalwaarde toegestaan. In de milieuvergunning worden geen eisen gesteld aan het binnenniveau, behalve wanneer dat voor de handhaving van buitenniveaus makkelijker is.

De woningen in Radio Kootwijk liggen op enige afstand van de gebouwen waar de herontwikkeling plaatsvindt. Ter plaatse van de woningen wordt geen hinder vanuit de gebouwen verwacht.

6.1.5 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot de grenswaarde. In 2010 zijn de plandrempels gelijk aan de grenswaarden. De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer.

In het kader van het PlanMER is onderzocht wat de huidige luchtkwaliteit is. Gebleken is dat in de huidige situatie de grenswaarden van de jaargemiddelde concentraties NO2(stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) niet worden overschreden (grenswaarde beide stoffen 40 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van het daggemiddelde concentratie PM10 ligt eveneens onder de grenswaarde (grenswaarde 35 dagen).

In de nieuwe situatie zijn er ten opzichte van de autonome situatie nauwelijks verschillen merkbaar. De concentraties NO2 en PM10 liggen verwaarloosbaar hoger. Het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 neemt niet toe.

6.1.6 Externe veiligheid

Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk die een risico voor de externe veiligheid met zich meebrengen.

Door het plangebied lopen twee straalverbindingen voor telefonie. Binnen deze trajecten geldt een maximale bouwhoogte van 95 m +NAP voor de noordelijke en 93 m +NAP voor de zuidelijk straalverbinding. Omdat het bestemmingsplan het niet mogelijk maakt dat gebouwen of bouwwerken met een dergelijke hoogte worden gerealiseerd, heeft er geen vertaling in de regels en op de verbeelding plaatsgevonden.