direct naar inhoud van 4.4 Cultuurhistorie
Plan: Bestemmingsplan Stadsdeel Zuid-Midden
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1001-von1

4.4 Cultuurhistorie

4.4.1 Cultuurhistorische analyse

In juni 2003 heeft bureau Stoa een cultuurhistorische analyse uitgevoerd voor Zuid. De cultuurhistorische analyse is destijds met name uitgevoerd om als basis te dienen voor het vaststellen van gebiedsgerichte welstandscriteria, maar speelt ook een belangrijke rol bij het bepalen van de wijze van bestemmen van objecten en structuren die in het plangebied voorkomen.

Uit de cultuurhistorische analyse blijkt dat van essentieel belang voor de identiteit van Zuid-Midden is het behoud, de herkenbaarheid en/of de versterking van de volgende aspecten.

Ruimtelijke structuur

Er is een duidelijk herkenbare tweedeling tussen enerzijds het historisch gegroeide en overwegend vooroorlogse Brummelhof en anderzijds het planmatige en overwegend vroeg-naoorlogse Wormen:

  • Het stratenpatroon van de in zuidelijke richting uitwaaierende oude landwegen met dwarsverbindingen is de belangrijkste kwaliteit in de ruimtelijke structuur van Brummelhof; 'het verstedelijkte landschap' is een pragmatische, ruimtelijk-functionele uitwerking van de agrarische ondergrond van de voormalige Wormense Enk.
  • De belangrijkste kwaliteit in de ruimtelijke structuur van Wormen is de consequent doorgevoerde opeenvolging van schaalniveaus in de hoofdopzet, de voorzieningen, de ontsluitingen en het groen, waarbij de heldere en samenhangende opzet in kwartieren met vier onderling verbonden winkelcentra rondom het centraal gelegen Zuiderpark uitdrukking geeft aan het stedenbouwkundige concept van de wijkgedachte en als zodanig essentieel is voor de herkenbaarheid van de structuur; dit 'modernistische stadsontwerp' staat betrekkelijk los van de agrarische ondergrond.
  • Naast hun onderlinge samenhang hebben de vier kwartieren ook afzonderlijk een eigen ruimtelijke identiteit die voortkomt uit de toenmalige en voortschrijdende ontwerpopvattingen. Het Vogel- en Componistenkwartier zijn kleinschalig en besloten van opzet en traditioneel in architectuur, bouwtechniek en typologie; het Staatslieden- en Rivierenkwartier zijn daarentegen ruim en open opgezet, modern in architectuur en bouwtechniek en gevarieerd qua woningtypologie.
  • Ter ondersteuning van de ruimtelijke hoofdstructuur is vooral in het Staatslieden- en Rivierenkwartier begeleidende middelhoogbouw toegepast: rond het noordelijk deel van het Zuiderpark en de vijver bij de Goeman Borgesiusstraat en langs de Kayersdijk en de Marchantstraat.

Het hiërarchische stelsel van ontsluitingswegen vormt een hecht en goed functionerend netwerk:

  • De grote betekenis van de primaire radialen (Arnhemseweg, Kayersdijk) en de secundaire ringwegen (Laan van de Mensenrechten, Ravenweg/Marchantstraat) als structuurdragers vindt zijn weerklank in de begeleidende middelhoge bebouwing en/of groenstroken c.q. laanbeplanting.
  • In het tertiaire wegenstelsel vormen vooral de historische linten duidelijk herkenbare tracés, terwijl de verbindingswegen tussen de vier winkelcentra c.q. kwartieren hun oorspronkelijke herkenbaarheid en beoogde status als intern circuit hebben verloren.

In de huidige situatie zijn de waterlopen van secundair belang als dragers van de structuur: de voorgenomen herstelwerkzaamheden aan het beken- en sprengensysteem (onder andere het weer zichtbaar maken van het oude beloop van de Kayersbeek) zullen van deze 'blauwe aders' weer belangrijke en zichtbare structuurlijnen maken.

De ruimtelijke structuur van Apeldoorn Zuid heeft weinig in het oog lopende (gebouwde) herkenningspunten:

  • De Zuiderkerk aan de Arnhemseweg is de enige landmark in de 'klassieke' betekenis van het woord, zij het met een excentrische situering.
  • Een hoge flat aan de Talingweg markeert het wijkcentrum.

Openbare ruimte

De hiërarchie in wijk-, buurt- en straatgroen en de kwaliteit en dosering ervan zorgen voor een overwegend aangenaam en groen ruimtelijk beeld (Brummelhof blijft hierin achter bij Wormen):

  • In Brummelhof liggen kansen in het versterken van de identiteit en aansluiten bij de rest van de wijk door het aanhelen en aanvullen van de nu missende groenvoorzieningen.
  • Het Zuiderpark is buitengewoon waardevol als groene long voor de wijk: omdat de gebruiks- en belevingswaarde van het park naar de huidige maatstaven onvoldoende zijn, is de voorgenomen reconstructie onder meer gericht op verbetering van de toegankelijkheid en de mogelijkheden tot actieve en passieve recreatie.
  • Kenmerkend voor de identiteit van het Zuiderpark is het onderscheid in een harde en rechte begrenzing in het formeel aangelegde noordelijke deel, en een zachte en rafelige begrenzing in het informeel ingerichte zuidelijke deel.
  • De langgerekte groenstrook aan de Kayersdijk is van grote betekenis, niet alleen vanwege de esthetische waarde (door de wijze waarop groen en water het beeld van de ruimtelijke hoofdstructuur bepalen) maar ook als groene buffer tussen de woonwijk enerzijds en het doorgaande verkeer en het bedrijventerrein Kayersmolen anderzijds.
  • De benadering van de openbare ruimte op het schaalniveau van de buurt en de straat verandert gedurende de twintigste eeuw en heeft geresulteerd in een minimale en overwegend stenige openbare ruimte in het vooroorlogse Brummelhof (rijbaan, trottoir), een ruimer straatprofiel met groene onderdelen in het vroeg naoorlogse Vogel- en Componistenkwartier (rijbaan, grasstrook, voetpad) en een ruimtelijke integratie van straat- en woonomgeving in het Staatslieden- en Rivierenkwartier (cul-de-sac, woonpaden, gemeenschappelijke tuinen).
  • De eenheid van woonbuurten, zoals de 'tuindorpen', wordt door zowel architectuur als openbare ruimte bepaald.

De verharde openbare ruimte is typologisch eenvormig (hoofdzakelijk straten) maar wat betreft de inrichting gevarieerd:

  • Van belang voor de beleving van de openbare ruimte is de relatie tussen straat, kavel en gebouw; variërend van smal, privé en individueel in Brummelhof tot ruim, (semi)openbaar en collectief in het Rivierenkwartier.
  • Het strikte onderscheid tussen private en openbare ruimte dat onlosmakelijk verbonden is met de ruimtelijke opzet van de vooroorlogse buurten, ontwikkelt zich via overgangselementen als grasstroken naar een geleidelijk in elkaar overvloeien van straat- en woonomgeving in de naoorlogse buurten.
  • Van belang voor de identiteit van en de eenheid in het straatbeeld is de kleinschalige, rustige en lengterichting benadrukkende inrichting van de meeste woonstraten; veelal met een enkelzijdige laanbeplanting op basis van een weloverwogen bomenplan.
  • De laanbeplanting ondersteunt van de stedenbouwkundige betekenis van de primaire en secundaire ontsluitingen (Arnhemseweg, Kayersdijk, Laan van de Mensenrechten, Ravenweg/Marchantstraat).

Bebouwing

Apeldoorn Zuid is primair een woonwijk voor arbeiders met hoofdzakelijk rijtjes eengezinswoningen en blokjes etagewoningen:

  • De eengezinswoningen en de etageflats zijn overwegend complexmatig opgezet en worden gekenmerkt door een min of meer uniform bebouwingsbeeld (hoofdvorm, gevelbeeld, materiaalgebruik), waarvan de kwaliteit meer schuilt in de samenhang van het geheel dan in de waarde van het afzonderlijke pand.
  • De zorgvuldige detaillering en de variatie in het kleurgebruik en de ornamentiek zorgen voor een aangenaam gevelbeeld.
  • De gemengde bebouwing van rijtjes eengezinswoningen en blokjes etagewoningen in blok-, stroken- en stempelverkaveling is een voor Nederland gedurende de wederopbouwperiode kenmerkende uitwerking van de destijds invloedrijke wijkgedachte.
  • Karakteristiek is het onderscheid tussen de kleinschalige besloten opzet en traditionalistische verschijningsvorm van de woonbebouwing in Brummelhof, Vogel- en Componistenkwartier enerzijds, en de grootschalige open opzet en modernistische verschijningsvorm in het Staatslieden- en Rivierenkwartier.
  • De fragmentarische spreiding van voorzieningen is bepalend voor het vooroorlogse Brummelhof, terwijl een concentratie van voorzieningen juist kenmerkend is voor de naoorlogse kwartieren.

De opeenvolgende ontwikkelingsfasen in de naoorlogse woningbouw zijn goed afleesbaar in drie representatieve complexen, die hun waarde ontlenen aan de gaafheid en herkenbaarheid van de samenhang tussen stedenbouwkundige opzet, inrichting van de openbare ruimte en architectonische vormgeving:

  • kleinschalig woningbouwcomplex in blokverkaveling aan de Meerkoetweg en omgeving met een fraai asymmetrisch en groen straatprofiel, zorgvuldig ontworpen bebouwingsbeeld en verkaveling die aansluit op het dorpse karakter van de vooroorlogse omgeving.
  • Woningbouwcomplex in het Staatsliedenkwartier met een samenhangende mix van laag- en hoogbouw in zowel gesloten blok- als open strokenverkaveling met diverse woningtypes en gevarieerde groenvoorzieningen.
  • Grootschalig woningbouwcomplex in het Rivierenkwartier met een beperkt aantal woningtypes in een gestempelde open structuur van stroken, haken en hovenverkaveling met woonpaden en een orthogonale architectuur met platte daken.
4.4.2 Monumenten

De volgende monumenten zijn aanwezig in Zuid-Midden:

  • Sebastiaanplein 1 - rijksmonument;
  • Sebastiaanplein 3 - rijksmonument;
  • Arnhemseweg 71 - gemeentelijk monument;
  • Arnhemseweg 275-277 - gemeentelijk monument;
  • Arnhemseweg 74 - gemeentelijk monument;
  • Zuiderkerkplein 2, 4, 6, 8 - gemeentelijk monument;
  • Zuiderkerkplein 34, 36 - gemeentelijk monument;
  • Tenderlaan 2, 8 - gemeentelijk monument;
  • Oude Beekbergerweg 25 - gemeentelijk monument;
  • Talingweg 207 - gemeentelijk monument;
  • Arnhemseweg 319 bc - kandidaat gemeentelijk monument;
  • Eksterweg 71-73 - kandidaat gemeentelijk monument;
  • Haringvliet 16 - kandidaat gemeentelijk monument;
  • Loudonstraat 28 - kandidaat gemeentelijk monument;
  • Hofveld 107-143, Debussylaan 47-47a - kandidaat gemeentelijk monument.
4.4.3 Naoorlogs erfgoed

De naoorlogse objecten en ensembles zijn in 2006 meegenomen in het kader van het project Inventarisatie naoorlogs erfgoed.De inventarisatie is een verkenning van interessante, kenmerkende bebouwing of stedenbouwkundige opzet uit de naoorlogse periode van Apeldoorn. Deze inventarisatie wordt de komende jaren nader onderzocht, waarbij objecten af zullen vallen en van andere objecten de waarde meer gespecificeerd wordt (naar architectonisch, stedenbouwkundig en cultuurhistorisch). Uiteindelijk wordt een selectie van waardevolle panden en complexen, de kerncollectie, aan de gemeentelijke monumentenlijst toegevoegd.

4.4.4 Regeling voor cultuurhistorie in bestemmingsplannen

De rijks- en gemeentelijke monumenten zijn niet op de plankaart aangegeven, net als bij eerder opgestelde actualiserende bestemmingsplannen. Voor deze systematiek is gekozen omdat de monumenten een eigen beschermingsregime hebben via een vergunningensysteem. Het opnemen van specifieke bestemmingen of aanduidingen voor de monumenten zou betekenen dat van iedere mutatie in het monumentenregister een bestemmingsplanherziening in gang moet worden gezet om het bestemmingsplan actueel te houden. Dit wordt niet doelmatig geacht. Daar waar vanuit de cultuurhistorie behoud van bestaande ruimtelijke structuren en/of gebouwen gewenst is, is de bestaande situatie precies bestemd, bijvoorbeeld door bouwvlakken strak om bestaande bouwmassa's te leggen of door de bestaande bouwhoogte en dakvorm precies over te nemen.