direct naar inhoud van 4.1 Milieu
Plan: Bestemmingsplan Stadsdeel Zuid-Midden
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1001-von1

4.1 Milieu

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

Bestemmingsplan Stadsdeel Zuid-Midden is een beheersplan. Er zijn alleen nieuwe ontwikkelingen in opgenomen waarvoor al een planologische procedure is afgerond voordat het onderhavige bestemmingsplan wordt vastgesteld. In die planologische procedures is onderzoek uitgevoerd naar de diverse milieuaspecten en is dit onderzoek beschreven. Voor dit bestemmingsplan is het daarom niet nodig onderzoek uit te voeren en wordt volstaan met een beschrijving van de milieuaspecten.

4.1.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De legaal aanwezige functies zijn positief bestemd. Daarom is het niet nodig onderzoek te doen naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen gebieden met functiemenging zijn er milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar of zelfs aaneengebouwd of in het zelfde pand zijn of kunnen worden gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- of wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere leefbaarheid en/of levendigheid tot stand te brengen.

Het overgrote deel van het plangebied is te kwalificeren als rustige woonwijk. Hier dienen in principe de richtafstanden uit de hiervoor opgenomen tabel te worden aangehouden. In dit bestemmingsplan is dat gedaan door voor die gebieden de aanwezige bedrijven de bestemming Bedrijf te geven en daarbinnen die milieucategorie toe te laten die op grond van de afstand tot omringende milieugevoelige functies toelaatbaar is. Daar waar een bedrijf in een hogere milieucategorie aanwezig is, is aangegeven dat naast die op grond van de richtafstanden toelaatbare categorie bedrijven ook het aanwezige bedrijfstype is toegelaten. Dit heeft tot gevolg dat het bestaande legaal aanwezige bedrijfstype kan worden voortgezet maar niet kan worden omgezet in een ander bedrijfstype met een hogere milieucategorie dan ter plaatse aanvaardbaar is. Overige aanwezige functies zijn bestemd als Gemengd; binnen die bestemming zijn (onder andere) bedrijven in milieucategorie 1 toegelaten.

In het plangebied komen diverse gebieden met functiemenging voor. Dit zijn de Arnhemseweg, de 1e Wormenseweg tussen Laan van de Mensenrechten en Ooievaarslaan en de buurtwinkelcentra. De "Kaart Milieuzonering: typologie gebieden" geeft deze gebieden aan. Hier is van oudsher al menging van woon- en werkfuncties aanwezig. Voortzetting daarvan en zelfs intensivering wordt wenselijk geacht omdat dit kan leiden tot grotere leefbaarheid en mogelijkheden biedt voor de versterking van de wijkeconomie. In het bestemmingsplan is dit vertaald door in de vlakken met de bestemmingen Bedrijf en Gemengd in deze gebieden bij recht bedrijven in milieucategorie 2 toe te laten. De afbeelding "Gebieden functiemenging Stadsdeel Zuid-Midden" kan in de toekomst gebruikt worden als toetsingskader voor aanvragen om herziening van het bestemmingsplan en gebruiksontheffing: in de gebieden met functiemenging is een bedrijf in milieucategorie 2 op korte afstand van woningen of zelfs aaneengebouwd of in het zelfde pand in principe aanvaardbaar. Uiteraard dient bij iedere concrete aanvraag een specifieke toetsing van de aanvaardbaarheid van het aangevraagde bedrijfstype plaats te vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1001-von1_0041.jpg"

Zoals in de vorige paragraaf al is geconstateerd, grenst het plangebied aan de industrieterreinen Kayersmolen en Malkenschoten. De wettelijke geluidszonering van de aangrenzende industrieterreinen zorgt voor een gegarandeerde milieuzone voor het aspect geluid naar de woningen in dit plangebied. Voor de overige milieuaspecten (geur, stof en gevaar) kan opgemerkt worden dat de bedrijvigheid nu al op voldoende afstand van de woningen en andere gevoelige functies in dit plangebied is gesitueerd, dan wel dat in de nieuwe bestemmingsplannen voor de industrieterreinen Malkenschoten en Kayersmolen een zodanige milieuzonering wordt opgenomen dat zware milieucategorieën niet nabij gevoelige functies wordt toegestaan, zodat niet voor overlast behoeft te worden gevreesd.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van diverse wegen, twee spoorlijnen en bedrijventerreinen. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen aangelegd. Op grond van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

De industrieterreinen Kayersmolen en Malkenschoten die beide aan dit plan grenzen zijn (deels) geluidgezoneerd op grond van artikel 53 Wet geluidhinder. De geluidszone van industrieterrein Malkenschoten blijft in zijn geheel binnen de grenzen van het eigen bestemmingsplan voor dit terrein. De geluidszone van het industrieterrein Kayersmolen ligt aan de oostgrens van dit terrein net over de Kayersdijk en valt daarom voor een klein deel binnen het plangebied van bestemmingsplan Stadsdeel Zuid-Midden. De zonegrens geldt als milieuzone voor het aangrenzende industrieterrein voor het aspect geluid. Op de zonegrens mogen alle bedrijven op het industrieterrein tezamen niet meer dan 50 dB(A) produceren. In het deel van de zone dat in dit bestemmingsplan valt bevinden zich overigens geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen; het bestemmingsplan maakt daar ook geen nieuwe woningen mogelijk. De zonegrens vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan. De zonegrens is op de plankaart aangegeven.

4.1.5 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot de grenswaarde. In 2010 zijn de plandrempels gelijk aan de grenswaarden. De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen.

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard: het legt de bestaande situatie vast en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan. Op grond van de Wet milieubeheer is het daarom niet nodig de luchtkwaliteit te onderzoeken. Er wordt immers voldaan aan artikel 5.16 lid b: de luchtkwaliteit blijft ten minste gelijk ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.1.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-stations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

In het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enige risicovolle inrichtingen die wel onder de werking van het Bevi vallen. De invloedssfeer van deze bedrijven strekt zich echter niet uit over het plangebied. Het uitvoeren van nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Leidingen

In en nabij het plangebied liggen geen (brandstof)leidingen waarvoor risicoafstanden relevant zijn. Het is dus niet nodig daar nader onderzoek naar te doen.

Transport gevaarlijke stoffen

Het toetsingskader voor transportroutes voor gevaarlijke stoffen is nu nog vastgelegd in de nota "Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" en de circulaire "Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen". Er wordt gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving (Besluit transportroutes externe veiligheid), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet, voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen.

In de gemeente Apeldoorn is geen speciale route voor gevaarlijke stoffen aangewezen. Over het spoortraject Amersfoort-Deventer dat in het noordelijke deel van het plangebied loopt, vindt transport van gevaarlijke stoffen per plaats. Het invloedsgebied voor het zogenoemde groepsrisico (200 meter) is over dit plangebied gelegen.

Dit bestemmingsplan is een conserverend plan, de eventueel mogelijke ontwikkelingen waren reeds voorzien in het vorige bestemmingsplan of zijn reeds feitelijke situaties. Het uitvoeren van nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe ontwikkelingen toe in de nabijheid van de spoorlijn. Het uitvoeren van nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.1.7 Elektromagnetische straling

Door het plangebied lopen twee bovengrondse hoogspanningslijnen. Aan de westkant loopt de 150 kV hoogspanningslijn van Kattenberg naar Apeldoorn. De lijn aan de oostkant is de 150 kV hoogspanningslijn van Apeldoorn naar Woudhuis.

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone uitgedrukt in µT).

Aanleiding voor dit advies is Engels onderzoek waarin is aangetoond dat bij magneetstraling boven de 0,4 µT er een licht statistisch verband is met het voorkomen van leukemie bij kinderen (leeftijdcategorie 0-15 jaar). De Gezondheidsraad, het RIVM en in hun navolging de GGD benadrukken dat er geen aanwijzigen zijn voor een oorzakelijk verband tussen blootstelling en effect. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's, adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

In 2007 heeft de Kema berekeningen uitgevoerd voor heel Apeldoorn om zo de specifieke 0,4 µT magneetveldzones van de bovengrondse hoogspanninglijnen in beeld te brengen. De specifieke 0,4 µT magneetveldzone is, conform de door het RIVM voorgeschreven berekeningsmethodiek, bepaald op basis van 50% van de ontwerpbelasting (maximale stroomsterkte) van de 150 kV lijnen.

Uit de berekeningen blijkt dat voor de westelijke hoogspanningslijn de grens van de specifieke 0,4 µT magneetveldzone op gemiddeld 38 meter ter weerszijden van het hart van de lijn ligt. Voor de oostelijke lijn ligt de grens van de specifieke 0,4 µT magneetveldzone op gemiddeld 73 meter ter weerszijden van het hart van de lijn. (NB: daar waar de lijnen parallel lopen in het plangebied overlappen de specifieke zones elkaar deels).

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe woningen en andere functies waar kinderen langdurig verblijven binnen de berekende specifieke magneetveldzone mogelijk. Het uitvoeren van nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Tot slot kan nog opgemerkt worden dat door de betreffende hoogspanningslijnen in de praktijk thans veel minder stroom gaat dan mogelijk. Dit betekent dus dat in de praktijk de 0,4 µT magneetveldzone veel kleiner is dan de berekende specifieke zone (voor de berekening van de specifieke zone moet immersworden uitgegaan van 50% van de ontwerpbelasting van de lijn).

De Kema heeft in 2007 ook deze feitelijke 0,4 µT magneetveldzone berekend. De grens van de feitelijke 0,4 µT magneetveldzone (door) ligt voor de westelijke lijn op gemiddeld 22 meter ter weerszijden van het hart van de lijn. Voor de oostelijk gelegen lijn ligt de grens van de feitelijke 0,4 µT magneetveldzone op gemiddeld 27 meter ter weerszijden van het hart van de lijn.